Schrijven over de Indonesische eetcultuur lijkt een makkelijke opgave; je kunt immers putten uit miljoenen bladzijden over de terecht geroemde archipelkeuken. De Indonesiër zelf doet bovendien weinig anders dan praten over wat hij zojuist heeft geconsumeerd of wat hij later vandaag nog gaat eten. Daarom, bij wijze van uitzondering, een dubbelblog. Dit eerste artikel focust op de specifieke smaakvoorkeuren van de Indonesiër en hoe die hun weerslag vinden in het aanbod op straat. Later zal ik uitweiden over de werkelijk geweldige restaurants in Jakarta. Maar wees gewaarschuwd: mijn blik op deze keuken is kritisch. Want voor een eilandenrijk met zo’n enorme diversiteit aan culturen, is de uiteindelijke keuze op straat vaak verrassend eenzijdig
Wie de vaste receptuur van mijn blogs kent, kan inmiddels uittekenen dat ik eerst met een halve pagina aan zelfreflectie kom. Ik ben namelijk niet de meest verfijnde culinaire recensent. Ik ben opgegroeid in de Gelderse klei van Twello, in een arbeidersgezin, al moeten mijn ouders dat niet lezen, want die voelen zich in hun hart ondernemers. Wat er bij ons op tafel kwam, was degelijke arbeiderskost; recepten rechtstreeks uit de praktijkbundels van de huishoudschool en daar is niets mis mee. Behalve dan dat er weinig fijnzinnige gerechten uit die koker kwamen. Het was smakelijk, vaak gezond en volgde braaf de Schijf van Vijf van de vorige eeuw.
Ik zou dus liegen als ik nu ineens hoogdravend culinair commentaar ga geven op de gerechten die ik hier voorgeschoteld krijg. Dat kan ik simpelweg niet. Op sommige maaltijden kauw ik niet eens. Ik kan evenzeer genieten van een Big Mac-menu als van een… tja, op het moment dat ik dit schrijf, kan ik me niet eens een culinair Indonesisch gerecht voor de geest halen. Gelukkig gaat dit eerste deel vooral over streetfood. En dat is, laten we eerlijk zijn, nogal eenkennig.
De Indonesische tong lijkt bang voor weerstand; alles moet makkelijk weg te slikken zijn, begeleid door een enorme berg zachte rijst. Het is vooral comfort-food dat de eter in een passieve roes achterlaat. Sambal zou een verrijking moeten zijn, maar in Jakarta fungeert het vaak als een ‘reset-knop’. Smaakt de vis niet optimaal? Sambal. Is de soep wat flauw? Sambal. Het resultaat is dat je na drie happen alleen nog maar de brandende sensatie van de peper proeft. De eigenlijke smaak van het product, of het nu kip, vis of groente is , doet er niet meer toe. Het is de ultieme eenzijdigheid: het lijkt soms wel of Jakarta verslaafd is aan de kick van de peper, ten koste van de verfijning.
Toch ben ik in de afgelopen jaren wat meer de nuance gaan zien. Indonesiërs zijn niet zozeer eenkennig, als wel extreem loyaal aan hun eigen smaakprofiel. Of ze nu in een sterrenrestaurant in Jakarta zitten of bij een kraampje de zoektocht naar pedas (pittig), gurih (hartig/umami) en manis (zoet) stopt nooit. Een Indonesiër die op reis gaat, neemt vaak zijn eigen sambal of pakjes Indomie mee. Dat is geen gebrek aan interesse in andere culturen, maar een diepgewortelde behoefte aan comfort. Je kunt een Indonesiër de duurste Italiaanse truffelpasta voorzetten, maar de kans is groot dat hij na afloop zegt: “Belum makan” (ik heb nog niet gegeten). Waarom? Omdat bekende smaken ontbraken en omdat er geen rijst bij zat. Zonder nasi telt een maaltijd simpelweg niet. Het is een vorm van culinaire amnesie: alles wat geen rijst is, wordt geregistreerd als een ‘snack’.
Indonesiërs zijn dol op Westerse ketens, McDonald’s, Pizza Hut, maar vaak zie je de eenkennigheid daar juist terugvallen in het vertrouwde. Bij de McDonald’s in Jakarta is het populairste menu niet de Big Mac, maar Gefrituurde kip met een bal rijst en een zakje sambal. Ze omarmen het Westerse logo voor de status, maar hun maag dwingt hen terug naar de kampung.
Experimenteren met eten brengt ook een risico’s met zich mee. Iets nieuws proberen dat ‘niet lekker’ is, voelt als verspilling van geld en moment. Zeker als je niet zoveel geld hebt om uit te geven. Daarom zie je vaak dat families decennialang naar hetzelfde sate-adresje gaan. Het is veilig, het is voorspelbaar. Je zou kunnen stellen dat Indonesiërs culinair gezien monogaam zijn. Ze flirten wel met andere keukens voor de foto op Instagram of om bij de tijd te blijven, maar hun hart (en hun maag) behoort altijd toe aan de smaken van de archipel.
Wat vinden Indonesiërs nu echt niet lekker? De grootste belediging voor een lokaal gerecht is dat het flauw, smakeloos of onvoldoende gekruid is. Voor een gehemelte dat gewend is aan een explosie van knoflook, sjalotten, trassi en kemirinoten, is de gemiddelde Europese keuken een deprimerende exercitie in minimalisme. Een gestoomde aardappel of een stukje gepocheerde vis zonder saus wordt hier niet gewaardeerd als ‘puur’, maar weggezet als een onafgemaakt product.
Ook met bitterheid gaan Indonesiers heel specifiek om. Bitter is bijna altijd uit den boze tenzij het iets medicinaals betreft. Het dient vakkundig geneutraliseerd te worden met zout en suiker. De onversneden bitterheid van zeer donkere chocolade, een zwaar gehopt IPA-biertje of een Hollandse witlofsalade wordt daarentegen vaak als onprettig en zelfs ‘medicinaal’ ervaren. In de Indonesische beleving moet bitterheid een doel dienen, zoals je gezondheid, anders hoeft het simpelweg niet.Zuur is een belangrijk onderdeel van de Indonesische keuken (denk aan sayur asem), maar het moet altijd in balans zijn met zoet (manis) en zout. De Europese voorliefde voor extreem zure augurken, zilveruitjes of een salade die zwemt in de azijn, vinden velen te eenzijdig. Het trekt de mond te veel samen zonder de beloning van een kruidige nasmaak. Met uitzondering van lalapan (rauwe groenten bij de sambal) hebben veel Indonesiërs moeite met koud eten. Een koude pastasalade of een koude sandwich als lunch wordt vaak niet als een volwaardige maaltijd gezien. Het moet hangat (warm) zijn. Ook rauw vlees (steak tartare) of te rauwe biefstuk (bloody) wordt vaak met argwaan bekeken; in een land waar voedselveiligheid historisch gezien hand in hand gaat met goed doorbakken, voelt rauw vlees als een risico, niet als een delicatesse.
Over groente heerst een hardnekkig psychologisch mechanisme: vlees en vis zijn statussymbolen. Als je gasten ontvangt of jezelf wilt trakteren, serveer je geen schaal spinazie, maar gefrituurde kip (ayam goreng) of rundvlees (rendang). Groenten worden vaak geassocieerd met de kampung, met overleven op wat er toevallig in de achtertuin groeit. In de hippe malls van Jakarta, bestel je een steak of een burger om te laten zien dat je de armoede bent ontstegen. Groenvoer is voor de geit van de buurman, niet voor als succesvolle bent. Als er al groenten op tafel komen, zijn ze zelden herkenbaar als “vers groen”. In de Indonesische keuken worden groenten vaak urenlang gestoord in dikke kokosmelk (santan) of kapotgebakken met een overdaad aan knoflook en trassi. Denk aan sayur lodeh of daun singkong. Het resultaat is een grijsgroene massa waarbij de textuur en de oorspronkelijke kleur volledig zijn geëlimineerd. Groenten worden vaak gebruikt als een soort smaakmaker of “glijmiddel” om de droge rijst makkelijker weg te krijgen, in plaats van een substantieel onderdeel van de maaltijd. Een paar schijfjes komkommer en een takje kemangi naast je saté tellen voor hen al als “voldoende groenten”. Er is één belangrijke uitzondering: de Lalapan. Vooral bij de Sundanezen (West-Java) zie je wel rauwe groenten. Maar let op: dit wordt altijd geserveerd met een loodzware, zoute sambal. De groente fungeert hier louter als voertuig voor de pepers. Zonder die sambal zou geen enkele Indonesiër naar die rauwe kousenband of kool grijpen. De knapperige, groene salade die wij in het Westen als “gezond” beschouwen, wordt door veel Indonesiërs met argwaan bekeken: “Is dit wel gaar?” of “Ben ik een konijn?”. Voor een Indonesiër is rijst het hoofdgerecht; de rest is slechts garnering (lauk-pauk). Je zal weinig groenten terug vinden in straat stalletjes.
Dat gebrek aan vers groen op straat wordt ruimschoots gecompenseerd door ingrediënten die de maag sneller vullen, maar het lichaam langzaam slopen. Naast de algemene uitdagingen van streetfood die ik verderop in dit artikel zal benoemen, zijn er twee specifieke sluipmoordenaars die ik eruit wil lichten. En nee, het zijn deze keer niet de usual suspects: suiker of olie.
De eerste is tapiocameel, de basis van de mateloos populaire Cilok. Maar ook tal van andere gerechten zoals Bakso, bubble tea en niet te vergeten krupuk. Dit is puur zetmeel, gewonnen uit de cassavewortel, en het bevat nagenoeg geen proteïnen, vitamines of vezels. Het is de ultieme ‘vuller’ voor de armen: het geeft een snelle verzadiging omdat de maag hard moet werken om de taaie, lijmachtige substantie te verteren, maar het voedt de mens op geen enkele manier. Je lichaam denkt dat het een maaltijd krijgt, maar krijgt in feite een lading complexe koolhydraten die je bloedsuikerspiegel in een rollercoaster verandert.
Omdat tapiocameel van zichzelf nagenoeg smakeloos is, wordt het letterlijk verdronken in sauzen om het eetbaar te maken. Vaak is dit een felrode, waterige chilisaus of een pindasaus van de laagste kwaliteit, beide stijf van het zout en de goedkope smaakversterkers. Erger nog: in de goedkoopste straatvarianten worden vaak industriële kleurstoffen gebruikt om de saus die onnatuurlijke rode kleur te geven; je eet dus letterlijk chemische bijproducten.
De presentatie maakt het drama compleet. Cilok wordt bijna altijd geserveerd in een klein plastic zakje, overgoten met gloeiend hete saus. Die hitte zorgt ervoor dat chemicaliën uit het goedkope plastic direct in je eten lekken. Voor een Indonesiër is dit de dagelijkse routine, maar voor de gezondheid op de lange termijn is dit een sluipende belasting van hormoonverstorende stoffen. Terwijl de verkopers op hun brommers door de fijnstof van Jakarta rijden, vangen de onbedekte bakken deeg en de houten prikkertjes de hele dag uitlaatgassen op. Het is de ultieme illustratie van de kortetermijnpolitiek: voor 2000 rupiah koop je een zakje kauwgomachtige ellende. Het vult de maag van de schoolkinderen en de Gojek-chauffeurs voor even, maar het legt de basis voor een leven vol welvaartsziektes die ze later nooit kunnen afbetalen.
De tweede sluipmoordenaar is MSG (Mononatriumglutamaat), in Indonesië beter bekend als Vetsin of simpelweg Micin. Ik noem het de ‘onzichtbare architect van de Indonesische smaak’. Het is de ultieme shortcut naar genot, een chemische pleister op de wonden van een haastige keuken. MSG zorgt voor de vijfde smaak: Umami. Het is die hartige, bevredigende sensatie die ervoor zorgt dat je door wilt blijven eten. In Indonesië vind je het in die enorme witte zakken van merken als Ajinomoto of Sasa.
In Jakarta wordt micin niet met een snufje, maar met scheppen tegelijk toegevoegd. Van de verkoper op de hoek die zijn bakso-bouillon ermee ‘verrijkt’, tot de zakjes kant-en-klare kruidenmixen die mijn moeder in de kampung gebruikt. Dankzij een korreltje wit poeder smaakt de goedkoopste soep ineens alsof er urenlang botten zijn getrokken in een koninklijke keuken. Het is culinaire misleiding voor de massa die geen tijd of geld heeft voor echte diepgang. Het belangrijkste gerecht met MSG, mateloos populair is Sate Taichan. Sate zonder saus maar gemarineerd in een mengsel van boulion poeder.
Hoewel gezondheidsinstanties zoals de WHO en de EFSA MSG als veilig beschouwen bij normaal gebruik, zit het echte gevaar in wat het verdoezelt. Het is de perfecte vermomming voor een kwaliteitsgebrek. Met genoeg micin maskeer je de smaak van minderwaardig vlees of slapgekookte groenten. Bovendien traint het de hersenen om natuurlijke smaken saai te vinden. Een kind dat opgroeit met deze smaakexplosies, zal een eerlijk gestoomde broccoli, áls ze die al zouden eten, ervaren als een smakeloze belediging.
Die chemische aanslag op het lichaam is voor de lokale bevolking dagelijkse kost, maar voor de ongetrainde bezoeker ligt dat anders. Voor een toerist is eten aan de straat in Jakarta namelijk vaak een vorm van Russische roulette met vijf kogels in de cilinder; de risico’s zijn niet alleen culinair, maar bijna existentieel.
Veel reizigers letten angstvallig op het eten zelf, maar vergeten het ijs in hun Es Teh. Op straat wordt vaak ‘bal-ijs’ gebruikt: enorme blokken die over de vuile stoep worden gesleept en met een roestige priem worden fijngehakt. Voor een westerse maag is dit een directe uitnodiging voor tyfus of een verwoestende bacteriële infectie. En dan is er de olie. In de kaki lima-karretjes is de olie vaak zo vaak verbrand dat de moleculaire structuur meer weg heeft van vloeibaar plastic dan van voedsel. Een toerist krijgt hier geen energie van, maar een galblaasaanval. In de verstikkende hitte van Jakarta staan schalen met rauwe kip bovendien urenlang broederlijk naast de gebakken variant, terwijl de vliegen als onbetaalde figuranten heen en weer pendelen. Kijk ook eens hoe de borden worden schoongemaakt: vaak in één enkele emmer met grijs water dat de hele dag niet is ververst.
Terwijl de toerist na één Bakso drie dagen de hotelkamer niet uitkomt, eet de lokale Gojek-bestuurder elke dag aan de straat zonder ook maar één keer te knipperen. Hoe kan dat? Het antwoord ligt in een ‘getraind microbioom’. De Indonesische darmflora is geen tere kasplant, maar een geharde jungle. Waar onze Nederlandse darmen gewend zijn aan gepasteuriseerde melk en steriele verpakkingen uit de Albert Heijn, hebben zij een immuunsysteem dat is gesmeed door de straat.Daarnaast werken de enorme hoeveelheden sambal en kurkuma als een natuurlijk antisepticum. De pepers ‘branden’ de maag als het ware schoon; een verdedigingsmechanisme dat wij als ’te pittig’ ervaren, maar dat voor hen een noodzaak is om te overleven.
De ironie is dat authentiek streetfood soms zelfs ‘verser’ is dan het voedsel in een luxe mall. Een populaire warung heeft een enorme omloopsnelheid; vlees dat ’s ochtends is geslacht, ligt ’s middags al in de pan. Dat brengt me bij de vraag: bestaat er eigenlijk nog zoiets als ‘Jakarta Authentiek’?
Waar je in steden als Yogyakarta of Solo nog rustig op een plastic krukje kunt neerstrijken voor een praatje, is streetfood in Jakarta vaak verworden tot een puur logistieke operatie. Je ziet rijen van tientallen Gojek- en Grab-bestuurders die met hun smartphones in de aanslag wachten als soldaten aan een frontlinie. Het eten is hier geen sociaal gebeuren, maar brandstof voor de economie. Het is order, pick-up, wegwezen.Bovendien betaal je in Jakarta voor de locatie, zelfs op het trottoir. Een Nasi Goreng aan de rand van de SCBD, het zakendistrict, kost je zomaar het dubbele van wat je in Rangkasbitung afrekent. Je betaalt hier voor de nabijheid van het grote geld, ook al zit je zelf midden in de verstikkende uitlaatgassen. In andere steden is de prijs nog direct gekoppeld aan de ingrediënten; in Jakarta is het gekoppeld aan de schaarse vierkante meters stoeprand.
Die zakelijkheid zie je terug op je bord. In steden als Bandung of Solo of Bogor is men nog trots op specifieke kruidenmixen; daar proef je de traditie. Maar in Jakarta, de ultieme smeltkroes, wordt de smaak vaak ‘platgeslagen’ met een overdaad aan MSG. Omdat de klanten uit alle windstreken komen, kiest de straatverkoper voor de kleinste gemene deler: zout, suiker en vetsin. Alles moet iedereen bevredigen, waardoor de unieke regionale nuances verloren gaan in een eenheidsworst van hartigheid. Om die eenheidsworst nog enigszins verteerbaar te maken voor de opkomende middenklasse, zie je steeds vaker de Pujasera of hippe ‘containerparken’ verschijnen. Hier wordt het streetfood ‘veilig’ en toonbaar gemaakt voor de toerist en de Jakartraanse middenklasse. Het verliest daarmee zijn rauwe randje. Waar streetfood in andere steden nog echt de straat is, in sommige delen van Jakarta vaak een geregisseerde versie van die werkelijkheid.
Maar genoeg over de sluipmoordenaars, de bacteriële Russische roulette en mijn zure commentaar op de eenheidsworst. Want ondanks mijn kritische blik blijft Jakarta de onbetwiste arena voor wie écht wil eten. De stad is een culinaire goudmijn, mits je bereid bent om de stedelijke jungle te trotseren en goed zoekt. Wat Jakarta namelijk de uitgelezen plek maakt voor streetfood, is niet de gemiddelde standaard, maar de uitschieters. Als je weet waar je moet kijken, vind je hier smaken die geen enkele Michelinster-chef in een steriele keuken kan dupliceren. De truc is om de geregisseerde ‘food-concepten’ links te laten liggen en te zoeken naar de plekken waar de passie nog groter is dan de marketing. Het zal je wat barre avonturen door smalle steegjes opleveren want in Jakarta worden de echt authentieke, unieke eetstalletjes namelijk nog steeds op de ouderwetse manier ontdekt: door de massa. Tegenwoordig gaat dat proces in een stroomversnelling; een verborgen parel in een achterafstraatje kan binnen een middag ‘viral’ gaan op TikTok of Instagram. Je herkent deze pareltjes onmiddellijk aan de rijen. In een stad waar niemand graag wacht en iedereen altijd haast heeft, is een rij van dertig meter voor een krakkemikkig karretje het ultieme keurmerk van kwaliteit. Het zijn de plekken waar een familie al dertig jaar lang maar één specifiek gerecht perfectioneert, of het nu een Soto Betawi is met een bouillon zo rijk dat het je ziel verwarmt, of een Saté die zo perfect gegrild is dat de rookaroma’s nog uren in je geheugen blijven hangen.
Een straatstalletje runnen in Jakarta is geen romantische hobby; het is een uitputtingsslag die topsportprestaties vereist. Als je goed kijkt naar de man die jouw Nasi Goreng bakt, zie je een logistiek manager, een chef-kok en een diplomaat in één. De dag van een verkoper begint vaak om vier uur ’s ochtends op de lokale pasar. Hij moet daar de scherpste prijs bedingen voor zijn ingrediënten, want in een wereld waar een marge van 500 rupiah het verschil maakt tussen winst of verlies, is elke rode peper een investering. Alles moet op die ene kar passen; elke centimeter is berekend. En stel je voor dat je tien tot twaalf uur per dag boven een open vuur of een kolenbron staat, terwijl de buitentemperatuur al 32 graden is en de luchtvochtigheid je adem ontneemt. De verkoper inhaleert een dodelijke cocktail van bakdampen en de uitlaatgassen van de duizenden motoren die langs zijn ‘keuken’ razen. Je kunt niet zomaar ergens je kar neerzetten. Er is een onzichtbare hiërarchie op de stoep. De verkoper moet navigeren tussen de mensen die het stuk straat beheren, de politie die af en toe een veegactie houdt, en de concurrentie die al dertig jaar op dezelfde hoek staat. Het runnen van een stalletje vereist een diplomatiek instinct waar menig top manager in de nabijgelegen kantoren jaloers op zou zijn. Er is geen vangnet. Als het regent in Jakarta, en het regent vaak hard, blijven de klanten weg. Geen verkoop betekent die avond geen inkomen voor het gezin; het is de meest directe vorm van just-in-time overleven. Om deze kwetsbaarheid te verminderen, maken steeds meer straatverkopers gebruik van bezorgplatforms zoals GoFood (Gojek) en GrabFood. Hierdoor zijn zij minder afhankelijk van passanten en weersomstandigheden. Daarnaast is de digitale betalingsinfrastructuur op de straat inmiddels wijdverspreid. Zelfs bij eenvoudige kaki lima karretjes hangt tegenwoordig vaak een QR-code (QRIS), waarmee klanten via hun smartphone kunnen afrekenen. Deze digitalisering biedt de verkoper niet alleen een breder bereik, maar vermindert ook de risico’s die gepaard gaan met het aanhouden van onhygienisch contant geld op straat.”
Ondanks de concurrentie en de strijd om elke vierkante meter stoeprand, zie ik onderling tussen de straatverkopers een verbazingwekkend sterke band. Als ik bij een kraampje mijn Nasi Goreng bestel en een drankje wil, zie ik de verkoper niet naar zijn eigen koelbox grijpen, als hij die al heeft. Nee, hij knikt naar zijn buurman drie meter verderop. Je koopt je hoofdgerecht bij de één en je Es Teh bij de ander. Het is een ecosysteem van kruisbestuiving; ze vormen samen een ‘openluchtrestaurant’ waarbij de winst eerlijk over de verschillende karretjes wordt verdeeld.
Maar die verbondenheid gaat veel verder dan alleen de handel. De stoep is ook een kinderdagverblijf en een buurthuis. Wanneer de scholen uitgaan en de kinderen van de verkopers, vaak nog in hun uniformpjes, de straat op rennen, houdt de man van de Bakso-karretje een oogje in het zeil bij de dochter van de sate verkoper.
De solidariteit op de stoeprand is geen vrijblijvende beleefdheid, maar een rauw en noodzakelijk overlevingsmechanisme dat de chaos van Jakarta leefbaar houdt. Terwijl de stad boven hen doorraast, vormen de verkopers een onzichtbaar gilde waarin ze elkaars informele stroom- en watervoorzieningen delen en als elkaars ogen fungeren wanneer een kar onbeheerd achterblijft.
Dit collectief fungeert bovendien als een razendsnel inlichtingennetwerk dat elkaar met een enkel fluitje waarschuwt voor naderende handhaving, terwijl ze ondertussen elkaars voorraadkast en bank zijn door tekorten aan limoenen of wisselgeld zonder vragen op te lossen. Op papier zijn buren concurrenten, maar in de praktijk zijn ze elkaars enige sociale vangnet.
Op de stoeprand van een chique wijk als Menteng of bij de kantoortorens van de SCBD verdwijnt vaak de hiërarchie. Een directeur in zijn maatpak zit op hetzelfde wankele plastic krukje als de Gojek-bestuurder. Straatvoedsel is de enige plek in Jakarta waar status even niet telt. Eten is de grote gelijkmaker; iedereen zweet boven dezelfde hete kom Soto Ayam. Het is eerlijk, ongeveinsd en pretentieloos.
Waar je in de luxe restaurants van Jakarta de schaamteloze verspilling ziet, is de straatverkoper een meester in efficiëntie. Alles wordt gebruikt, verspilling een zonde die men zich niet kan veroorloven. De Kaki Lima (het karretje) is een schoolvoorbeeld van een ‘lean’ businessmodel: minimale voorraad, maximale omloopsnelheid en alles wat ’s ochtends vers is ingekocht, is ’s avonds op.
Elk karretje op de hoek van de straat is een familiebedrijf en op straat te eten, financier je geen anonieme multinational of een corrupte vastgoedmagnaat, maar de studie van de dochter van de verkoper of de medicijnen van zijn moeder in de kampung. Het is de meest directe vorm van economische steun. De straatverkoper is het symbool van de Indonesiër die zichzelf met hard werken probeert op te richten. Het is daar waar Jakarta niet alleen je maag vult, maar ook even je hart steelt.
Schrijven over de Indonesische eetcultuur lijkt een makkelijke opgave; je kunt immers putten uit miljoenen bladzijden over de terecht geroemde archipelkeuken. De Indonesiër zelf doet bovendien weinig anders dan praten over wat hij zojuist heeft geconsumeerd of wat hij later vandaag nog gaat eten. Daarom, bij wijze van uitzondering, een dubbelblog. Dit eerste artikel focust op de specifieke smaakvoorkeuren van de Indonesiër en hoe die hun weerslag vinden in het aanbod op straat. Later zal ik uitweiden over de werkelijk geweldige restaurants in Jakarta. Maar wees gewaarschuwd: mijn blik op deze keuken is kritisch. Want voor een eilandenrijk met zo’n enorme diversiteit aan culturen, is de uiteindelijke keuze op straat vaak verrassend eenzijdig
Wie de vaste receptuur van mijn blogs kent, kan inmiddels uittekenen dat ik eerst met een halve pagina aan zelfreflectie kom. Ik ben namelijk niet de meest verfijnde culinaire recensent. Ik ben opgegroeid in de Gelderse klei van Twello, in een arbeidersgezin, al moeten mijn ouders dat niet lezen, want die voelen zich in hun hart ondernemers. Wat er bij ons op tafel kwam, was degelijke arbeiderskost; recepten rechtstreeks uit de praktijkbundels van de huishoudschool en daar is niets mis mee. Behalve dan dat er weinig fijnzinnige gerechten uit die koker kwamen. Het was smakelijk, vaak gezond en volgde braaf de Schijf van Vijf van de vorige eeuw.
Ik zou dus liegen als ik nu ineens hoogdravend culinair commentaar ga geven op de gerechten die ik hier voorgeschoteld krijg. Dat kan ik simpelweg niet. Op sommige maaltijden kauw ik niet eens. Ik kan evenzeer genieten van een Big Mac-menu als van een… tja, op het moment dat ik dit schrijf, kan ik me niet eens een culinair Indonesisch gerecht voor de geest halen. Gelukkig gaat dit eerste deel vooral over streetfood. En dat is, laten we eerlijk zijn, nogal eenkennig.
De Indonesische tong lijkt bang voor weerstand; alles moet makkelijk weg te slikken zijn, begeleid door een enorme berg zachte rijst. Het is vooral comfort-food dat de eter in een passieve roes achterlaat. Sambal zou een verrijking moeten zijn, maar in Jakarta fungeert het vaak als een ‘reset-knop’. Smaakt de vis niet optimaal? Sambal. Is de soep wat flauw? Sambal. Het resultaat is dat je na drie happen alleen nog maar de brandende sensatie van de peper proeft. De eigenlijke smaak van het product, of het nu kip, vis of groente is , doet er niet meer toe. Het is de ultieme eenzijdigheid: het lijkt soms wel of Jakarta verslaafd is aan de kick van de peper, ten koste van de verfijning.
Toch ben ik in de afgelopen jaren wat meer de nuance gaan zien. Indonesiërs zijn niet zozeer eenkennig, als wel extreem loyaal aan hun eigen smaakprofiel. Of ze nu in een sterrenrestaurant in Jakarta zitten of bij een kraampje de zoektocht naar pedas (pittig), gurih (hartig/umami) en manis (zoet) stopt nooit. Een Indonesiër die op reis gaat, neemt vaak zijn eigen sambal of pakjes Indomie mee. Dat is geen gebrek aan interesse in andere culturen, maar een diepgewortelde behoefte aan comfort. Je kunt een Indonesiër de duurste Italiaanse truffelpasta voorzetten, maar de kans is groot dat hij na afloop zegt: “Belum makan” (ik heb nog niet gegeten). Waarom? Omdat bekende smaken ontbraken en omdat er geen rijst bij zat. Zonder nasi telt een maaltijd simpelweg niet. Het is een vorm van culinaire amnesie: alles wat geen rijst is, wordt geregistreerd als een ‘snack’.
Indonesiërs zijn dol op Westerse ketens, McDonald’s, Pizza Hut, maar vaak zie je de eenkennigheid daar juist terugvallen in het vertrouwde. Bij de McDonald’s in Jakarta is het populairste menu niet de Big Mac, maar Gefrituurde kip met een bal rijst en een zakje sambal. Ze omarmen het Westerse logo voor de status, maar hun maag dwingt hen terug naar de kampung.
Experimenteren met eten brengt ook een risico’s met zich mee. Iets nieuws proberen dat ‘niet lekker’ is, voelt als verspilling van geld en moment. Zeker als je niet zoveel geld hebt om uit te geven. Daarom zie je vaak dat families decennialang naar hetzelfde sate-adresje gaan. Het is veilig, het is voorspelbaar. Je zou kunnen stellen dat Indonesiërs culinair gezien monogaam zijn. Ze flirten wel met andere keukens voor de foto op Instagram of om bij de tijd te blijven, maar hun hart (en hun maag) behoort altijd toe aan de smaken van de archipel.
Wat vinden Indonesiërs nu echt niet lekker? De grootste belediging voor een lokaal gerecht is dat het flauw, smakeloos of onvoldoende gekruid is. Voor een gehemelte dat gewend is aan een explosie van knoflook, sjalotten, trassi en kemirinoten, is de gemiddelde Europese keuken een deprimerende exercitie in minimalisme. Een gestoomde aardappel of een stukje gepocheerde vis zonder saus wordt hier niet gewaardeerd als ‘puur’, maar weggezet als een onafgemaakt product.
Ook met bitterheid gaan Indonesiers heel specifiek om. Bitter is bijna altijd uit den boze tenzij het iets medicinaals betreft. Het dient vakkundig geneutraliseerd te worden met zout en suiker. De onversneden bitterheid van zeer donkere chocolade, een zwaar gehopt IPA-biertje of een Hollandse witlofsalade wordt daarentegen vaak als onprettig en zelfs ‘medicinaal’ ervaren. In de Indonesische beleving moet bitterheid een doel dienen – zoals je gezondheid – anders hoeft het simpelweg niet.Zuur is een belangrijk onderdeel van de Indonesische keuken (denk aan sayur asem), maar het moet altijd in balans zijn met zoet (manis) en zout. De Europese voorliefde voor extreem zure augurken, zilveruitjes of een salade die zwemt in de azijn, vinden velen te eenzijdig. Het trekt de mond te veel samen zonder de beloning van een kruidige nasmaak. Met uitzondering van lalapan (rauwe groenten bij de sambal) hebben veel Indonesiërs moeite met koud eten. Een koude pastasalade of een koude sandwich als lunch wordt vaak niet als een volwaardige maaltijd gezien. Het moet hangat (warm) zijn. Ook rauw vlees (steak tartare) of te rauwe biefstuk (bloody) wordt vaak met argwaan bekeken; in een land waar voedselveiligheid historisch gezien hand in hand gaat met goed doorbakken, voelt rauw vlees als een risico, niet als een delicatesse.
Over groente heerst een hardnekkig psychologisch mechanisme: vlees en vis zijn statussymbolen. Als je gasten ontvangt of jezelf wilt trakteren, serveer je geen schaal spinazie, maar gefrituurde kip (ayam goreng) of rundvlees (rendang). Groenten worden vaak geassocieerd met de kampung, met overleven op wat er toevallig in de achtertuin groeit. In de hippe malls van Jakarta, bestel je een steak of een burger om te laten zien dat je de armoede bent ontstegen. Groenvoer is voor de geit van de buurman, niet voor als succesvolle bent. Als er al groenten op tafel komen, zijn ze zelden herkenbaar als “vers groen”. In de Indonesische keuken worden groenten vaak urenlang gestoord in dikke kokosmelk (santan) of kapotgebakken met een overdaad aan knoflook en trassi. Denk aan sayur lodeh of daun singkong. Het resultaat is een grijsgroene massa waarbij de textuur en de oorspronkelijke kleur volledig zijn geëlimineerd. Groenten worden vaak gebruikt als een soort smaakmaker of “glijmiddel” om de droge rijst makkelijker weg te krijgen, in plaats van een substantieel onderdeel van de maaltijd. Een paar schijfjes komkommer en een takje kemangi naast je saté tellen voor hen al als “voldoende groenten”. Er is één belangrijke uitzondering: de Lalapan. Vooral bij de Sundanezen (West-Java) zie je wel rauwe groenten. Maar let op: dit wordt altijd geserveerd met een loodzware, zoute sambal. De groente fungeert hier louter als voertuig voor de pepers. Zonder die sambal zou geen enkele Indonesiër naar die rauwe kousenband of kool grijpen. De knapperige, groene salade die wij in het Westen als “gezond” beschouwen, wordt door veel Indonesiërs met argwaan bekeken: “Is dit wel gaar?” of “Ben ik een konijn?”. Voor een Indonesiër is rijst het hoofdgerecht; de rest is slechts garnering (lauk-pauk). Je zal weinig groenten terug vinden in straat stalletjes.
Dat gebrek aan vers groen op straat wordt ruimschoots gecompenseerd door ingrediënten die de maag sneller vullen, maar het lichaam langzaam slopen. Naast de algemene uitdagingen van streetfood die ik verderop in dit artikel zal benoemen, zijn er twee specifieke sluipmoordenaars die ik eruit wil lichten. En nee, het zijn deze keer niet de usual suspects: suiker of olie.
De eerste is tapiocameel, de basis van de mateloos populaire Cilok. Maar ook tal van andere gerechten zoals Bakso, bubble tea en niet te vergeten krupuk. Dit is puur zetmeel, gewonnen uit de cassavewortel, en het bevat nagenoeg geen proteïnen, vitamines of vezels. Het is de ultieme ‘vuller’ voor de armen: het geeft een snelle verzadiging omdat de maag hard moet werken om de taaie, lijmachtige substantie te verteren, maar het voedt de mens op geen enkele manier. Je lichaam denkt dat het een maaltijd krijgt, maar krijgt in feite een lading complexe koolhydraten die je bloedsuikerspiegel in een rollercoaster verandert.
Omdat tapiocameel van zichzelf nagenoeg smakeloos is, wordt het letterlijk verdronken in sauzen om het eetbaar te maken. Vaak is dit een felrode, waterige chilisaus of een pindasaus van de laagste kwaliteit, beide stijf van het zout en de goedkope smaakversterkers. Erger nog: in de goedkoopste straatvarianten worden vaak industriële kleurstoffen gebruikt om de saus die onnatuurlijke rode kleur te geven; je eet dus letterlijk chemische bijproducten.
De presentatie maakt het drama compleet. Cilok wordt bijna altijd geserveerd in een klein plastic zakje, overgoten met gloeiend hete saus. Die hitte zorgt ervoor dat chemicaliën uit het goedkope plastic direct in je eten lekken. Voor een Indonesiër is dit de dagelijkse routine, maar voor de gezondheid op de lange termijn is dit een sluipende belasting van hormoonverstorende stoffen. Terwijl de verkopers op hun brommers door de fijnstof van Jakarta rijden, vangen de onbedekte bakken deeg en de houten prikkertjes de hele dag uitlaatgassen op. Het is de ultieme illustratie van de kortetermijnpolitiek: voor 2000 rupiah koop je een zakje kauwgomachtige ellende. Het vult de maag van de schoolkinderen en de Gojek-chauffeurs voor even, maar het legt de basis voor een leven vol welvaartsziektes die ze later nooit kunnen afbetalen.
De tweede sluipmoordenaar is MSG (Mononatriumglutamaat), in Indonesië beter bekend als Vetsin of simpelweg Micin. Ik noem het de ‘onzichtbare architect van de Indonesische smaak’. Het is de ultieme shortcut naar genot, een chemische pleister op de wonden van een haastige keuken. MSG zorgt voor de vijfde smaak: Umami. Het is die hartige, bevredigende sensatie die ervoor zorgt dat je door wilt blijven eten. In Indonesië vind je het in die enorme witte zakken van merken als Ajinomoto of Sasa.
In Jakarta wordt micin niet met een snufje, maar met scheppen tegelijk toegevoegd. Van de verkoper op de hoek die zijn bakso-bouillon ermee ‘verrijkt’, tot de zakjes kant-en-klare kruidenmixen die mijn moeder in de kampung gebruikt. Dankzij een korreltje wit poeder smaakt de goedkoopste soep ineens alsof er urenlang botten zijn getrokken in een koninklijke keuken. Het is culinaire misleiding voor de massa die geen tijd of geld heeft voor echte diepgang. Het belangrijkste gerecht met MSG, mateloos populair is Sate Taichan. Sate zonder saus maar gemarineerd in een mengsel van boulion poeder.
Hoewel gezondheidsinstanties zoals de WHO en de EFSA MSG als veilig beschouwen bij normaal gebruik, zit het echte gevaar in wat het verdoezelt. Het is de perfecte vermomming voor een kwaliteitsgebrek. Met genoeg micin maskeer je de smaak van minderwaardig vlees of slapgekookte groenten. Bovendien traint het de hersenen om natuurlijke smaken saai te vinden. Een kind dat opgroeit met deze smaakexplosies, zal een eerlijk gestoomde broccoli, áls ze die al zouden eten, ervaren als een smakeloze belediging.
Die chemische aanslag op het lichaam is voor de lokale bevolking dagelijkse kost, maar voor de ongetrainde bezoeker ligt dat anders. Voor een toerist is eten aan de straat in Jakarta namelijk vaak een vorm van Russische roulette met vijf kogels in de cilinder; de risico’s zijn niet alleen culinair, maar bijna existentieel.
Veel reizigers letten angstvallig op het eten zelf, maar vergeten het ijs in hun Es Teh. Op straat wordt vaak ‘bal-ijs’ gebruikt: enorme blokken die over de vuile stoep worden gesleept en met een roestige priem worden fijngehakt. Voor een westerse maag is dit een directe uitnodiging voor tyfus of een verwoestende bacteriële infectie. En dan is er de olie. In de kaki lima-karretjes is de olie vaak zo vaak verbrand dat de moleculaire structuur meer weg heeft van vloeibaar plastic dan van voedsel. Een toerist krijgt hier geen energie van, maar een galblaasaanval. In de verstikkende hitte van Jakarta staan schalen met rauwe kip bovendien urenlang broederlijk naast de gebakken variant, terwijl de vliegen als onbetaalde figuranten heen en weer pendelen. Kijk ook eens hoe de borden worden schoongemaakt: vaak in één enkele emmer met grijs water dat de hele dag niet is ververst.
Terwijl de toerist na één Bakso drie dagen de hotelkamer niet uitkomt, eet de lokale Gojek-bestuurder elke dag aan de straat zonder ook maar één keer te knipperen. Hoe kan dat? Het antwoord ligt in een ‘getraind microbioom’. De Indonesische darmflora is geen tere kasplant, maar een geharde jungle. Waar onze Nederlandse darmen gewend zijn aan gepasteuriseerde melk en steriele verpakkingen uit de Albert Heijn, hebben zij een immuunsysteem dat is gesmeed door de straat.Daarnaast werken de enorme hoeveelheden sambal en kurkuma als een natuurlijk antisepticum. De pepers ‘branden’ de maag als het ware schoon; een verdedigingsmechanisme dat wij als ’te pittig’ ervaren, maar dat voor hen een noodzaak is om te overleven.
De ironie is dat authentiek streetfood soms zelfs ‘verser’ is dan het voedsel in een luxe mall. Een populaire warung heeft een enorme omloopsnelheid; vlees dat ’s ochtends is geslacht, ligt ’s middags al in de pan. Dat brengt me bij de vraag: bestaat er eigenlijk nog zoiets als ‘Jakarta Authentiek’?
Waar je in steden als Yogyakarta of Solo nog rustig op een plastic krukje kunt neerstrijken voor een praatje, is streetfood in Jakarta vaak verworden tot een puur logistieke operatie. Je ziet rijen van tientallen Gojek- en Grab-bestuurders die met hun smartphones in de aanslag wachten als soldaten aan een frontlinie. Het eten is hier geen sociaal gebeuren, maar brandstof voor de economie. Het is order, pick-up, wegwezen.Bovendien betaal je in Jakarta voor de locatie, zelfs op het trottoir. Een Nasi Goreng aan de rand van de SCBD, het zakendistrict, kost je zomaar het dubbele van wat je in Rangkasbitung afrekent. Je betaalt hier voor de nabijheid van het grote geld, ook al zit je zelf midden in de verstikkende uitlaatgassen. In andere steden is de prijs nog direct gekoppeld aan de ingrediënten; in Jakarta is het gekoppeld aan de schaarse vierkante meters stoeprand.
Die zakelijkheid zie je terug op je bord. In steden als Bandung of Solo of Bogor is men nog trots op specifieke kruidenmixen; daar proef je de traditie. Maar in Jakarta, de ultieme smeltkroes, wordt de smaak vaak ‘platgeslagen’ met een overdaad aan MSG. Omdat de klanten uit alle windstreken komen, kiest de straatverkoper voor de kleinste gemene deler: zout, suiker en vetsin. Alles moet iedereen bevredigen, waardoor de unieke regionale nuances verloren gaan in een eenheidsworst van hartigheid. Om die eenheidsworst nog enigszins verteerbaar te maken voor de opkomende middenklasse, zie je steeds vaker de Pujasera of hippe ‘containerparken’ verschijnen. Hier wordt het streetfood ‘veilig’ en toonbaar gemaakt voor de toerist en de Jakartraanse middenklasse. Het verliest daarmee zijn rauwe randje. Waar streetfood in andere steden nog echt de straat is, in sommige delen van Jakarta vaak een geregisseerde versie van die werkelijkheid.
Maar genoeg over de sluipmoordenaars, de bacteriële Russische roulette en mijn zure commentaar op de eenheidsworst. Want ondanks mijn kritische blik blijft Jakarta de onbetwiste arena voor wie écht wil eten. De stad is een culinaire goudmijn, mits je bereid bent om de stedelijke jungle te trotseren en goed zoekt. Wat Jakarta namelijk de uitgelezen plek maakt voor streetfood, is niet de gemiddelde standaard, maar de uitschieters. Als je weet waar je moet kijken, vind je hier smaken die geen enkele Michelinster-chef in een steriele keuken kan dupliceren. De truc is om de geregisseerde ‘food-concepten’ links te laten liggen en te zoeken naar de plekken waar de passie nog groter is dan de marketing. Het zal je wat barre avonturen door smalle steegjes opleveren want in Jakarta worden de echt authentieke, unieke eetstalletjes namelijk nog steeds op de ouderwetse manier ontdekt: door de massa. Tegenwoordig gaat dat proces in een stroomversnelling; een verborgen parel in een achterafstraatje kan binnen een middag ‘viral’ gaan op TikTok of Instagram. Je herkent deze pareltjes onmiddellijk aan de rijen. In een stad waar niemand graag wacht en iedereen altijd haast heeft, is een rij van dertig meter voor een krakkemikkig karretje het ultieme keurmerk van kwaliteit. Het zijn de plekken waar een familie al dertig jaar lang maar één specifiek gerecht perfectioneert, of het nu een Soto Betawi is met een bouillon zo rijk dat het je ziel verwarmt, of een Saté die zo perfect gegrild is dat de rookaroma’s nog uren in je geheugen blijven hangen.
Een straatstalletje runnen in Jakarta is geen romantische hobby; het is een uitputtingsslag die topsportprestaties vereist. Als je goed kijkt naar de man die jouw Nasi Goreng bakt, zie je een logistiek manager, een chef-kok en een diplomaat in één. De dag van een verkoper begint vaak om vier uur ’s ochtends op de lokale pasar. Hij moet daar de scherpste prijs bedingen voor zijn ingrediënten, want in een wereld waar een marge van 500 rupiah het verschil maakt tussen winst of verlies, is elke rode peper een investering. Alles moet op die ene kar passen; elke centimeter is berekend. En stel je voor dat je tien tot twaalf uur per dag boven een open vuur of een kolenbron staat, terwijl de buitentemperatuur al 32 graden is en de luchtvochtigheid je adem ontneemt. De verkoper inhaleert een dodelijke cocktail van bakdampen en de uitlaatgassen van de duizenden motoren die langs zijn ‘keuken’ razen. Je kunt niet zomaar ergens je kar neerzetten. Er is een onzichtbare hiërarchie op de stoep. De verkoper moet navigeren tussen de mensen die het stuk straat beheren, de politie die af en toe een veegactie houdt, en de concurrentie die al dertig jaar op dezelfde hoek staat. Het runnen van een stalletje vereist een diplomatiek instinct waar menig top manager in de nabijgelegen kantoren jaloers op zou zijn. Er is geen vangnet. Als het regent in Jakarta, en het regent vaak hard, blijven de klanten weg. Geen verkoop betekent die avond geen inkomen voor het gezin; het is de meest directe vorm van just-in-time overleven. Om deze kwetsbaarheid te verminderen, maken steeds meer straatverkopers gebruik van bezorgplatforms zoals GoFood (Gojek) en GrabFood. Hierdoor zijn zij minder afhankelijk van passanten en weersomstandigheden. Daarnaast is de digitale betalingsinfrastructuur op de straat inmiddels wijdverspreid. Zelfs bij eenvoudige kaki lima karretjes hangt tegenwoordig vaak een QR-code (QRIS), waarmee klanten via hun smartphone kunnen afrekenen. Deze digitalisering biedt de verkoper niet alleen een breder bereik, maar vermindert ook de risico’s die gepaard gaan met het aanhouden van onhygienisch contant geld op straat.”
Ondanks de concurrentie en de strijd om elke vierkante meter stoeprand, zie ik onderling tussen de straatverkopers een verbazingwekkend sterke band. Als ik bij een kraampje mijn Nasi Goreng bestel en een drankje wil, zie ik de verkoper niet naar zijn eigen koelbox grijpen, als hij die al heeft. Nee, hij knikt naar zijn buurman drie meter verderop. Je koopt je hoofdgerecht bij de één en je Es Teh bij de ander. Het is een ecosysteem van kruisbestuiving; ze vormen samen een ‘openluchtrestaurant’ waarbij de winst eerlijk over de verschillende karretjes wordt verdeeld.
Maar die verbondenheid gaat veel verder dan alleen de handel. De stoep is ook een kinderdagverblijf en een buurthuis. Wanneer de scholen uitgaan en de kinderen van de verkopers, vaak nog in hun uniformpjes, de straat op rennen, houdt de man van de Bakso-karretje een oogje in het zeil bij de dochter van de sate verkoper.
De solidariteit op de stoeprand is geen vrijblijvende beleefdheid, maar een rauw en noodzakelijk overlevingsmechanisme dat de chaos van Jakarta leefbaar houdt. Terwijl de stad boven hen doorraast, vormen de verkopers een onzichtbaar gilde waarin ze elkaars informele stroom- en watervoorzieningen delen en als elkaars ogen fungeren wanneer een kar onbeheerd achterblijft.
Dit collectief fungeert bovendien als een razendsnel inlichtingennetwerk dat elkaar met een enkel fluitje waarschuwt voor naderende handhaving, terwijl ze ondertussen elkaars voorraadkast en bank zijn door tekorten aan limoenen of wisselgeld zonder vragen op te lossen. Op papier zijn buren concurrenten, maar in de praktijk zijn ze elkaars enige sociale vangnet.
Op de stoeprand van een chique wijk als Menteng of bij de kantoortorens van de SCBD verdwijnt vaak de hiërarchie. Een directeur in zijn maatpak zit op hetzelfde wankele plastic krukje als de Gojek-bestuurder. Straatvoedsel is de enige plek in Jakarta waar status even niet telt. Eten is de grote gelijkmaker; iedereen zweet boven dezelfde hete kom Soto Ayam. Het is eerlijk, ongeveinsd en pretentieloos.
Waar je in de luxe restaurants van Jakarta de schaamteloze verspilling ziet, is de straatverkoper een meester in efficiëntie. Alles wordt gebruikt, verspilling een zonde die men zich niet kan veroorloven. De Kaki Lima (het karretje) is een schoolvoorbeeld van een ‘lean’ businessmodel: minimale voorraad, maximale omloopsnelheid en alles wat ’s ochtends vers is ingekocht, is ’s avonds op.
Elk karretje op de hoek van de straat is een familiebedrijf en op straat te eten, financier je geen anonieme multinational of een corrupte vastgoedmagnaat, maar de studie van de dochter van de verkoper of de medicijnen van zijn moeder in de kampung. Het is de meest directe vorm van economische steun. De straatverkoper is het symbool van de Indonesiër die zichzelf met hard werken probeert op te richten. Het is daar waar Jakarta niet alleen je maag vult, maar ook even je hart steelt.
Voor mij halen de meest verfijnde fusion-gerechten in een vijfsterrenhotel het vaak niet bij de smaak van een Saté Kambing die boven echt houtskool is gegrild. De de adem van de wok en de authentieke rookaroma’s vind je niet in een steriele roestvrijstalen keuken. Straatvoedsel heeft een ziel en een intensiteit die in de gepolijste wereld van de malls vaak verloren gaat in ruil voor presentatie.
Een volgend artikel over eten in Jakarta zal een persoonlijke verkenning zijn van de uitersten: een bezoek aan de meest authentieke restaurants in Jakarta en ik wil onderzoeken wat er van de Indische keuken, die hybride koloniale erfenis, nog tastbaar aanwezig is in het Indonesische menu van vandaag. Geen nostalgische terugblik op ‘grootmoeders recepten’, maar een kritische ontleding overgoten met een idealistisch, antikoloniaal sausje.
Mocht je de stap wagen om Autenthiek straatfood te proberen. Hier wat tips.
- Rujak (De Vitamine-bom met een Kick)
Dit is de koning van de gezonde snacks. Geen frituur, geen rijst, maar vers gesneden fruit zoals onrijpe mango, ananas, watermeloen en komkommer. De ‘catch’ zit in de saus: een mix van palmsuiker, tamarinde en pepers. Het is een zeldzaam moment van ‘groen’ (of in ieder geval vers) op straat, zolang je de suikerrijke dipsaus met mate gebruikt. - Gado-Gado (De “Salade” van de Straat)
Vaak een volwaardige maaltijd, maar ook als snack te krijgen. Het bestaat uit gestoomde groenten (kousenband, taugé, spinazie), tofu en tempé. Bevat veel vezels en proteïnen uit de sojabonen.In Jakarta wordt dit vaak verdronken in een dikke, zoete pindasaus. Wil je het écht gezond houden? Vraag om weinig saus. Het is de ultieme test voor de Indonesische kok: kan de groente ook overleven zonder een deken van suiker en vet? - Otak-Otak (Gegrilde Visverrassing)
Dit zijn pakketjes van vispasta (meestal makreel) gemengd met kokosmelk en tapiocameel, gewikkeld in bananenblad en gegrild boven houtskool gezond omdat het gegrild is en niet gefrituurd. Het is een lichte proteïne-snack.Let op de pindasaus die erbij geserveerd wordt. En pas op voor de ‘goedkope’ varianten die meer meel dan vis bevatten dat is de “opvulcultuur. - Asinan Jakarta
Lijkt op Rujak, maar dan met ingemaakte groenten (kool, taugé, wortel) en tofu in een zurige, pittige azijndressing. Gefermenteerde groenten zijn goed voor de darmen en de dressing bevat nauwelijks vet. De gele kroepoek die ze er bovenop stapelen is de ‘verleider’. Laat die liggen en je hebt een top-snack. - Jagung Bakar (Geroosterde Maïs)
Gewoon een maïskolf op de grill. Het is een volwaardig graanproduct, rijk aan vezels. De verkoper zal vragen of je er mentega (boter) of manis-pedas (zoet-pittige glazuur) op wilt. Voor de gezonde keuze zeg je: plain saja (gewoon naturel).
De term Kaki Lima betekent letterlijk ‘vijf voeten’. Het is een overblijfsel uit de koloniale tijd, toen de Britse gouverneur Raffles verordonneerde dat elke hoofdweg een voetpad van vijf voet breed (five foot way) moest hebben. De handelaren die deze stoepen bezetten, werden synoniem met de ruimte die ze innamen. Vandaag de dag verwijst de naam naar de drie wielen van de kar en de twee benen van de verkoper. Vijf voeten die samen de ruggengraat van de Jakartaanse straat vormen.
