Daar zit ik dan weer, in een van die prachtig ingerichte koffietenten in Jakarta-Zuid waar de airconditioning zo hard loeit dat je bijna vergeet dat het buiten 35 graden is. Ik nip aan een hand-poured V60 van bonen uit de hooglanden van West-Java, geserveerd door een barista die met meer precisie kijkt naar de extractietijd dan de gemiddelde ambtenaar naar een bouwvergunning. Voor dit kopje reken ik zonder blikken of blozen 60.000 rupiah af, een bedrag waar mijn moeder in Rangkasbitung bijna een week van zou kunnen eten als ze de snacks zou laten staan. In dit artikel het verhaal over koffie en de relatie met Rangkasbitung. De geschiedenis van koffie in Indonesië is een verhaal dat begint met botanische diefstal en eindigt met een literair meesterwerk dat een wereldrijk op zijn grondvesten deed schudden. Het is ook een zeldzaam recht door zee opinie artikel. Iets wat jullie niet zo vaker uit de koker zien komen bij mij.


Koffie komt oorspronkelijk uit Ethiopië en Jemen, maar de Arabische wereld hield de teelt eeuwenlang angstvallig geheim. De Nederlanders, altijd op zoek naar een gat in de markt, wisten eind 17e eeuw echter enkele koffieplanten uit Jemen te smokkelen. Na een mislukte poging in India, plantten ze de eerste bonen op Java (rond het huidige Jakarta). Het klimaat bleek perfect. De vulkanische bodem en de tropische regen zorgden voor een koffie die zo populair werd dat de term ‘Java’ in de rest van de wereld synoniem werd voor een goede kop koffie. In de 19e eeuw zat de Nederlandse schatkist behoorlijk leeg na diverse oorlogen. De oplossing? Het beruchte Cultuurstelsel (1830). In plaats van belasting te betalen, werden Indonesische boeren gedwongen om een vijfde van hun grond te gebruiken voor exportproducten zoals koffie, thee en suiker. Dit was geen eerlijke handel; het was staatsuitbuiting. De boeren kregen een schijntje voor hun harde werk, terwijl de Nederlandse Handel-Maatschappij de koffie voor enorme winsten veilde in Amsterdam. Terwijl de grachtenpanden daar steeds luxer werden, heerste er op Java op grote schaal hongersnood omdat er geen ruimte of tijd meer was om rijst te verbouwen.


In deze verstikkende sfeer van corruptie en uitbuiting werd Eduard Douwes Dekker in 1856 benoemd tot assistent-resident van Lebak de regio waar mijn moeder nu woont, met Rangkasbitung als centrum. Dekker was een idealist die zag hoe de lokale regenten, gesteund door het Nederlandse bestuur, de bevolking letterlijk dood lieten hongeren voor persoonlijk gewin en koffie-quota.


Hij probeerde het systeem van binnenuit aan te pakken, maar stuitte op een muur van bureaucratie en onwil. Hij nam ontslag, keerde berooid terug naar Europa en schreef in een vlaag van woede en frustratie onder het pseudoniem Multatuli (Latijn voor ‘Ik heb veel geleden’) het boek Max Havelaar. Max Havelaar was de eerste ‘klokkenluiders-roman’. Het beschreef haarscherp hoe de koffie die in Nederland met zoveel plezier werd gedronken, besmeurd was met het bloed en de tranen van de Javaan. Het boek eindigt met een directe aanklacht aan het adres van Koning Willem III. Het sloeg in als een bom. Het leidde uiteindelijk tot de afschaffing van het Cultuurstelsel en een verandering in de Nederlandse koloniale politiek. De koffieveilingen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die in het boek zo cynisch worden beschreven door de koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, werden het symbool van de morele blindheid van de Nederlandse koopmansgeest.
Vandaag de dag, als je door Rangkasbitung loopt, zie je nog steeds de sporen van deze geschiedenis. Het is wrang dat een van de regio’s die ooit de basis legde voor de rijkdom van Nederland, nu nog steeds vecht tegen de armoede die uit datzelfde systeem is voortgekomen. Elke kop koffie uit Lebak draagt die echo van Multatuli nog steeds in zich: een mengeling van trots op de eigen grond, maar ook de bittere herinnering aan wat die grond de mensen ooit heeft gekost.
Hoewel Lebak relatief dicht bij Jakarta ligt, is het binnenland bergachtig en lastig toegankelijk. Dit bemoeilijkt de economische ontwikkeling. Veel dorpen zijn via modderige wegen slecht bereikbaar, wat het vervoer van landbouwproducten duur en traag maakt. De economische groei van Indonesië concentreert zich in stedelijke centra als Jakarta maar de welvaart “lekt” niet door naar de provincie, waardoor de kloof tussen de hippe koffiebar en de warung in Rangkasbitung alleen maar groter wordt.
Terwijl Nederland rijk werd van de ‘zachte’ geur van specerijen en de winsten van de koffieveilingen, werd Lebak achtergelaten als een uitgeputte huls, een wingewest waar de enige erfenis een diepgeworteld trauma en een structureel gebrek aan kansen was. Het is een wrange vorm van historische ironie dat ik nu met mijn Nederlandse euro’s, geld dat indirect zijn wortels heeft in diezelfde koloniale machine, probeer de gaten in het dak van mijn moeder te dichten. We noemen het nu ‘hulp’, maar laten we eerlijk zijn: het is een schamele rentebetaling op een schuld die nooit volledig afgelost kan worden.


De onmacht van mijn moeder om financieel vooruit te kijken, haar ‘gebrek’ aan discipline met geld, is geen toevallige karaktertrek; het is het resultaat van generaties die geleefd hebben onder een systeem dat hen verbood om iets voor zichzelf op te bouwen. Nederland heeft de mond vol van morele superioriteit en ‘ontwikkelingshulp’, maar we vergeten dat de armoede in Rangkasbitung geen natuurverschijnsel is, maar een zorgvuldig geconstrueerd bijproduct van onze eigen Gouden Eeuw. Het herstellen van haar warung is in die zin voor mij daarom meer dan een klus; het is een piepkleine vorm van historische herstelbetaling in een land dat nog steeds de rekening gepresenteerd krijgt van onze nationale koopmansgeest.
Het is bijna wrang dat ik vanuit mijn appartement in het hypermoderne Jakarta binnen drie uur naar Rangkasbitung kan reizen, maar gevoelsmatig een tijdreis van twee eeuwen maak. Waar in de hippe koffiebars van de hoofdstad wordt gepraat over ‘duurzaamheid’ en ‘fair trade’ als modieuze marketing concepten, wordt de provincie nog steeds gedicteerd door een modern feodalisme. De buffels waarover Multatuli schreef, het essentieel kapitaal van de boer dat door corrupte regenten werd geroofd, zijn in het huidige Lebak vervangen door de dagelijkse de veroorzakers van moderne hyper kapitalisme, consumentisme en de schulden die er uit voort komen. Waar de koloniale machthebber vroeger fysiek geweld gebruikte, zie ik nu hoe mijn moeder en zus gevangen zitten in een onzichtbaar web van schulden, opgejaagd door geldschieters die elke dag aan de deur komen om de schamele rente op te eisen.
Deze vicieuze cirkel wordt in stand gehouden door een geraffineerde vorm van uitbuiting: de verleiding naar domme kosten. Net zoals de koffieplukkers van vroeger door het Cultuurstelsel nooit een buffer mochten opbouwen, wordt de moderne Indonesiër verleid tot leningen voor kortstondige status of beltegoed, digitale kruimels die de dieperliggende armoede moeten maskeren.
De tragedie is dat men de blauwdruk van deze eigen uitbuiting niet meer herkent. Terwijl de stedelijke elite in prachtig ontworpen interieurs geniet van hun ‘ethische’ koffie, zorgt een onderwijssysteem dat in de democratie nooit fatsoenlijk is ontwikkeld en nu alweer afgeserveerd wordt onder het bewind van de huidige president, ervoor dat de kritische blik op het verleden is vervangen door een blinde vlek. Men ziet de ketens niet meer, omdat ze tegenwoordig van schuld en data en krediet zijn gemaakt in plaats van ijzer.
Multatuli is een grote onbekende: Hoewel Rangkasbitung het decor was van Max Havelaar, wordt dit meesterwerk door de gemiddelde Indonesiër niet gelezen. De aanklacht tegen de uitbuiting in Lebak is voor de huidige generatie onbekend, terwijl de armoede in die regio nog steeds structureel is. Onder de huidige politieke wind leren jongeren vooral een eenzijdig verhaal: communisten zijn de vijand. De geschiedenislessen zijn nog steeds gereduceerd tot een zwart-wit narratief waarin elk alternatief voor het kapitalisme als staatsgevaarlijk wordt bestempeld. Wat vrijwel niemand meer weet of durft te zeggen, is dat de communistische beweging in Indonesië juist een van de weinige groepen was die een structurele poging deed om het land echt te dekoloniseren. Ze wilden Indonesië ontworstelen aan de koloniale erfenis van ongelijkheid en feodalisme, totdat de geopolitieke belangen van de VS en de bloedige zuiveringen van 1965 daar een gewelddadig einde aan maakten.


Dit gebrek aan historisch besef heeft directe gevolgen voor mensen zoals mijn moeder: Omdat de generatie van nu niet leert over de systemische roofbouw van vroeger, zien ze armoede als een individueel falen in plaats van een historisch resultaat. Zonder de kennis van Multatuli of de sociale strijd van de vroege 20e eeuw, blijft men hangen in ‘gelatenheid’, de acceptatie dat je geen invloed hebt op een beter resultaat. Mijn familie leeft bij de dag, niet omdat ze dat willen, maar omdat het systeem waarin ze zitten nooit bedoeld was om hen te laten groeien. Terwijl we in Jakarta de ‘overwinning’ op het kolonialisme vieren met vlaggen en ceremonies, is de werkelijke dekolonisatie, de bevrijding van de geest en de portemonnee, in de provincie zoals in Rangkasbitung nog lang niet voltooid. Men lacht om alles, maar begrijpt de grap die de geschiedenis met hen heeft uitgehaald niet meer.
Recentelijk zijn de geschiedenisboeken op de scholen weer eens grondig herzien, en natuurlijk altijd ter faveure van de krachten die na de bloedige zuiveringen van 1965 aan de macht zijn gekomen. Het meest cynische aan de huidige situatie is dat de anti-koloniale retoriek, de taal van vrijheid en nationale trots, door de huidige machthebbers wordt gekaapt als een rookgordijn. Terwijl zij in Jakarta de mond vol hebben van de onafhankelijkheid en het afschudden van het juk van Nederland, maken zij zelf deel uit van een mechanisme dat een directe kopie is van de Nederlandse koloniale macht. De Nederlanders regeerden Indonesië door middel van de lokale regenten, de feodale elite die de bevolking in ruil voor macht en geld onder de duim hield. Die structuren zijn nooit afgebroken; ze zijn alleen in een nieuw jasje gestoken. De huidige machthebbers misbruiken het anti-koloniale gedachtengoed om een gevoel van nationale eenheid te creëren, terwijl ze ondertussen de toegang tot echt, kritisch onderwijs in de provincie saboteren. Ze houden mensen als mijn moeder gevangen in een vicieuze cirkel van overleven, omdat een onwetende bevolking de minst gevaarlijke bevolking is.
In deze context is de ‘historische amnesie’ van de hippe jongeren in de koffietentjes van Jakrta een krachtig politiek wapen. Als zij, en de mensen in Rangkasbitung, de werkelijke verbanden niet meer zien tussen de roofbouw van toen en de corruptie van nu, dan blijft de macht van de zittende elite onaantastbaar. Elke keer als ik mijn moeder weer zie worstelen met onbegrijpelijke schulden en een gebrek aan toekomstperspectief, zie ik niet het falen van een onafhankelijk Indonesië, maar het succes van een systeem dat de koloniale methode van ‘verdeel en heers’ tot in de haarvaten heeft geperfectioneerd.


Toch zijn er lichtpuntjes, in de huidige koffiecultuur van Jakarta is de zwarte schaduw van het koloniale verleden getransformeerd tot een symbool van nationale trots, waarbij de jonge generatie Indonesiërs de bittere nasmaak van de geschiedenis heeft ingeruild voor een esthetische viering van hun eigen erfgoed. In hippe tentjes zoals Filosofi Kopi in Jaksel wordt koffie niet langer gezien als een herinnering aan de dwangarbeid in regio’s als Lebak, maar als een krachtig sociaal bindmiddel voor een groeiende middenklasse die trots is op lokale bonen uit Toraja of West-Java.
Voor deze jongeren is ‘ngopi’ een ritueel van zelfexpressie en ondernemerschap geworden, waarbij ze met hun TikTok-posts en moderne interieurs de controle over hun eigen product terugclaimen van de westerse concerns die eeuwenlang de winst hebben opgestreken.
Indonesische koffie is een vloeibare kaart van de archipel, waarbij elk eiland zijn eigen unieke stempel drukt op de boon dankzij de mineraalrijke, vulkanische bodem en het gunstige tropische klimaat. Van de stroperige, aardse diepte van Sumatra Mandheling, met zijn karakteristieke Giling Basah-verwerking, tot de elegante, nootachtige balans van Java Preanger, de variatie is ongekend. Terwijl de Toraja-koffie uit Sulawesi naam maakt als de ‘Queen of Coffee’ door haar wijnachtige body en rijke chocoladetonen, verrast Bali met de heldere, citrusachtige frisheid van de Kintamani-boon. Of het nu gaat om de karamelzoetheid uit Flores of de romige, florale texturen uit de hooglanden van Papua, de Indonesische koffiecultuur biedt een complex smaakpalet dat tegenwoordig door een nieuwe, trotse generatie barista’s in Jakarta wordt gevierd als een herwonnen nationaal erfgoed.
In de hippe wijken van Jakarta is de barista getransformeerd van een eenvoudige koffieschenker tot een gerespecteerde vakman, een ambassadeur van de moderne Indonesische identiteit. Deze nieuwe generatie professionals draagt een diepe trots uit die verder gaat dan het perfecte melkschuim. In etablissementen zoals Filosofi Kopi en Lucky Cat wordt niet alleen koffie geserveerd, maar een verhaal verteld over de vulkanische herkomst van de boon en het vakmanschap van de boer, waardoor de koloniale nasmaak van uitbuiting wordt ingeruild voor een narratief van nationale autonomie en verfijning.
Deze bevlogenheid uit zich in een explosie van nationale en internationale competities, waar de Indonesische jeugd met een bijna religieuze precisie strijdt om de titels in disciplines als Latte Art en Manual Brew.


Waar de geschiedenisboeken koffie ooit associeerden met het gedwongen Cultuurstelsel, herschrijven deze jonge ondernemers het verhaal door hun eigen micro-roasteries te openen en de volledige waardeketen in eigen land te houden. Elke beker die met deze bevlogenheid wordt bereid, fungeert als een klein, vloeibaar eerbetoon aan een land dat zich eindelijk de eigenaar mag noemen van zijn eigen kostbare erfgoed.
Ook in de regio Lebak groeit een bescheiden beweging van lokale koffiemerken die een broodnodige impuls geven aan de herwonnen trots van Rangkasbitung. Waar de geschiedenis van de regio ooit werd getekend door de uitbuiting die Multatuli beschreef, proberen merken als Kopi Cybeber en Kopi Multatuli nu de unieke aroma’s en het literaire erfgoed van het oude Lebak te vangen. Zelfs uit het mysterieuze Baduy-gebied komt met Kopi Baduy een authentiek, aards smaakprofiel voort, volledig op natuurlijke wijze verbouwd zonder moderne technologie.


Terwijl de elite in Jakarta zich verliest in dure single-origins, blijft Kopi Kupu-Kupu de onbetwiste koning van de gewone man in de provincie Banten. Deze local hero fungeert als een krachtig symbool van huiselijkheid en traditie, waarbij de geur door de kampungs in Rangkasbitung drijft terwijl buren een praatje maken. Het is geen pretentieuze lifestyle-koffie, maar een betaalbaar product in een geel zakje dat in de vorm van een sterke kopi tubruk dagelijks comfort en waardigheid biedt aan de lokale gemeenschap.


Voor de heropening van de warung van mijn moeder is de Kupu-Kupu cruciaal; het is het product dat de gunfactor in de buurt bepaalt en laat zien dat de winkel weer echt onderdeel is van de gemeenschap. In een regio die bekendstaat als een van de armste plekken op Java, vormen deze lokale merken een bewuste poging van lokale ondernemers om de economische welvaart eindelijk naar hun eigen achtertuin te halen.
Uiteindelijk laat de koffiecultuur in Indonesië twee gezichten zien: de glimmende export-trots van de stedelijke elite en de vertrouwde, bittere smaak van de Kupu-Kupu die de gewone mensen al generaties lang bij elkaar houdt. Waar in Jakarta koffie een vluchtig Instagram-moment is, is het in de warung een fundament van sociale samenhang. Het ondersteunen van deze lokale merken is daar

mee meer dan een smaakvoorkeur; het is een kleine daad van verzet tegen de aanhoudende ongelijkheid tussen stad en provincie.
Terwijl de hippe jeugd om me heen druk bezig is met het perfectioneren van hun TikTok-content tegen de achtergrond van industrieel beton, dwalen mijn gedachten af naar de regio Lebak, het decor van Multatuli’s Max Havelaar. Het is de plek waar de koffiecultuur ooit met bloed en dwang in de klei werd gestampt, en waar mijn moeder nu nog steeds vecht tegen een onzichtbaar systeem van schulden en afhankelijkheid dat verdacht veel lijkt op de koloniale structuren van weleer. In dit glimmende café proef ik de luxe van de vooruitgang, maar in de nasmaak zit een bitterheid die je met geen enkele hoeveelheid suiker wegkrijgt: de wetenschap dat de welvaart van de stad is gebouwd op de stilte van de dorpen.


Dit is de emotionele kern van je artikel: de confrontatie met je eigen hypocrisie, of liever gezegd, de paradox van de geprivilegieerde terugkeerder. Het gaat over het schuldgevoel dat je afkoopt met een latte, terwijl je donders goed weet dat diezelfde luxe de ongelijkheid alleen maar accentueert.
Hier is een diepgaande uitwerking van die zelfreflectie, die de brug slaat tussen je dagelijkse gedrag in Jakarta en de structurele ongelijkheid in Lebak:

De Barista als Biechtvader
Daar zit ik dan, vrijwel dagelijks, in mijn vaste niche van industrieel beton en gepolijst marmer. Ik weet precies wat ik doe. Ik weet dat die 60.000 rupiah voor mijn Americano een obscene uiting is van ongelijkheid; het is een bedrag dat in de handen van mijn moeder in Rangkasbitung een wereld van verschil zou maken. En toch bestel ik het. Toch houd ik me niet in. Ik betaal niet voor de cafeïne, die kun je overal krijgen, ik betaal voor de airconditioning die de verstikkende realiteit van Jakarta buitenhoudt, voor de ‘internationale’ uitstraling die me even doet vergeten dat ik in een land ben waar de kloof tussen arm en rijk een gapend ravijn is.


Hoe verklaar ik dit aan mezelf? Misschien is het een vorm van esthetisch escapisme. In die hippe koffietent koop ik de illusie van een ‘modern’ Indonesië, een land dat zijn koloniale trauma’s heeft verwerkt en is opgegaan in de mondiale middenklasse. Door daar te zitten, identificeer ik me met de winnaars van de geschiedenis, terwijl ik weet dat mijn eigen familie aan de andere kant van de streep staat. Het is een bijna masochistische vorm van luxe: ik nip aan mijn koffie terwijl ik op mijn laptop schrijf over de armoede van mijn moeder, alsof de dure bonen mijn woorden meer gewicht geven, of mijn schuldgevoel verzachten.


De wrange waarheid is dat ik, door deel te nemen aan deze lifestyle, onbewust het mechanisme voed dat de onwetendheid in stand houdt. Ik ben de consument waar de nieuwe elite op bouwt: iemand die de kritische geschiedenis kent, maar de verleiding van het comfort niet kan weerstaan. Het is de ultieme triomf van het systeem dat de erfenis van de Nederlanders heeft overgenomen: ze hebben luxe zo aantrekkelijk gemaakt dat zelfs degenen die het onrecht benoemen, bereid zijn ervoor te betalen.


Mijn dagelijkse koffieritueel is daarmee geen onschuldige pauze, maar een pijnlijke confrontatie met mijn eigen dubbelrol. Ik ben de zoon die het dak van zijn moeder repareert met de ene hand, terwijl ik met de andere hand de economie spekt die haar regio al eeuwenlang negeert.