Tussen 1973 en 1983 werden ongeveer 3.000 Indonesische kinderen naar Nederland geadopteerd; een proces dat inmiddels zwaar onder vuur ligt. De actualiteit wordt gedomineerd door onthullingen over structurele misstanden, zoals vervalste papieren en kinderhandel, wat in 2021 leidde tot een tijdelijke stop op alle interlandelijke adopties. Er heerst een sterke negatieve tendens waarbij adoptie niet langer als een “reddingsactie” wordt gezien, maar als een koloniaal systeem dat diepe identiteitswonden en een fundamenteel gevoel van vervreemding achterlaat.


Men verwijt me wel eens dat ik zonder oordeel schrijf, maar daar ben ik het niet volledig mee eens. Ik oordeel wel degelijk: over mezelf en over mijn familie hier in Indonesië. Die spanning levert genoeg verhalen op. Zo heb je al kunnen lezen over de zoektocht naar een gedeelde weg met mijn moeder en heb ik uitgebreid de dynamiek van mijn familie in Rangkasbitung beschreven.

Adoptie speelt een cruciale rol in mijn leven en in mijn contact met andere geadopteerde Indonesiërs, misschien zelfs een grotere rol dan bij veel lotgenoten. Mijn broer is geadopteerd uit Magelang, Midden-Java, en ook de moeder van mijn dochter is ook geadopteerd en afkomstig uit Bogor, ten zuiden van Jakarta. We hebben elkaar ooit ontmoet op een bijeenkomst van de belangenvereniging voor geadopteerde Indonesiërs: Asalsaya.Het lot bracht ons bij elkaar. Het is Indonesie en onze afkomst en onze adoptieverhaal dat ons bij elkaar bracht. Maar het is wellicht dat laatste wat ons ook uit elkaar dreef. Iedereen is een individu hoe zij op een bepaald moment in het leven omgaat met de trauma’s die ontstaan over adopties.
Mijn ex en ik zijn inmiddels weer erg goed bevriend. Elke keer dat we een nieuwe geadopteerde uit Indonesië hebben ontmoet en die na afloop bespreken, kijken we elkaar even betekenisvol aan. De vraag die dan steevast en zonder filter over tafel gaat, is: “Wat mankeert die?”

Dat klinkt hard, maar die vraag is geworteld in veertig jaar ervaring. Onze gezamenlijke geschiedenis voert ons terug naar de vroege dagen van ‘Wereldkinderen’ en de bijeenkomsten van Asalsaya, de plek waar we elkaar ooit hebben ontmoet. In die vier decennia hebben we honderden lotgenoten voorbij zien komen en een scherp oog ontwikkeld voor de littekens die een adoptieverleden achterlaat. De tics, de ongemakkelijke ‘moves’ en de obsessieve gedachtenpatronen blijven ons altijd bij. We zijn ervaringsdeskundigen bij uitstek; net als veel andere geadopteerde Indonesiërs hebben we broers en zussen die eveneens geadopteerd zijn. Het is misschien confronterend, maar het is menselijk dat juist de mensen bij wie het minder goed gaat sterker in de herinnering blijven hangen. De groep bij wie het leven wel soepel loopt, zie je immers zelden op bijeenkomsten voor geadopteerden. Zo werkt de dynamiek in dit wereldje nu eenmaal.


In onze beleving draagt iedere geadopteerde Indonesiër een onzichtbaar rugzakje met zich mee. We herkennen de sporen van de diepe, uitputtende worsteling met identiteit. De impact is bij de één zichtbaarder dan bij de ander, en soms manifesteert dat zich op bijna karikaturale wijze. Denk aan extreme ijdelheid, grootheidswaanzin of een masker van arrogantie—stuk voor stuk gedragingen die voortkomen uit een diepe onzekerheid over waar je nu werkelijk bij hoort.


Het meest intrigerend, en stiekem ook het grappigst, vind ik de mensen die lijken te vergeten dat ze een bruine huidskleur hebben, alsof ze geboren zijn uit blanke ouders. Ze gaan volledig op in Nederlandse stereotyperingen over Indonesiërs of zijn zo vroom opgevoed dat ze oprecht geloven door Jezus te zijn gered uit de ‘klauwen van de moslims’. Soms zou ik willen dat ik ook zo ‘simpel’ in het leven kon staan. Maar dat is wellicht te kort door de bocht; volgens mij is het ontkennen van je ware identiteit uiteindelijk vele malen zwaarder dan eerlijk toegeven wie je werkelijk bent.
Het oordeel van de Indonesische lotgenoot moet niet worden opgevat als kwaadaardig of sensatiezoekend, maar eerder als een vorm van pijnherkenning waarbij de ‘gekke moves’ fungeren als overlevingsmechanismen voor mensen die, net als ik, jarenlang vervreemd zijn geweest van hun afkomst. In deze collectieve worsteling met de ‘volledige her-synchronisatie met de innerlijke pinda’ komen velen soms niet verder dan een schamele dertig procent, waardoor de vraag naar wat de ander mankeert eigenlijk een zoektocht wordt naar de barsten in de spiegel waarin we onszelf herkennen.
Of we nu in Nederland blijven of de sprong in het diepe wagen naar Jakarta, dat onvermijdelijke rugzakje reist altijd met ons mee; mijn eigen exemplaar is zelfs zo volgestouwd met onverwerkte bagage dat ik me oprecht afvraag waarom de douane me bij aankomst in Indonesië niet heeft aangehouden voor het smokkelen van verwarde emoties. Uiteindelijk vermoed ik dan ook dat veel van mijn karaktertrekken die ik als negatief ervaar, diep geworteld zijn in deze adoptie-achtergrond.


Zo ben ik in de kern altijd liever alleen dan dat ik het risico loop opnieuw verlaten te worden; een defensieve reflex die maakt dat ik mezelf vaak tekortdoe in het onderhouden van vriendschappen. Deze gereserveerdheid wordt versterkt door een extreme verlegenheid, waardoor ik het simpelweg slecht verdraag om in het middelpunt van de belangstelling te staan of mezelf sociaal te moeten profileren. Juist die schroom zorgt ervoor dat ik mezelf vaak tekortdoe in het onderhouden van vriendschappen, simpelweg omdat de enorme emotionele inspanning die werkelijk menselijk contact van me vraagt, me ervan weerhoudt om op dat vlak door te pakken. Het feit dat mijn Nederlandse huis tot de nok toe volstond met planten, bewijst eigenlijk dat ik de voorkeur geef aan een eenzijdige dialoog met groen, waarbij ik kan toekijken hoe iets groeit zonder dat het eisen stelt, boven de voormij energievretende complexe interactie met mensen. Er knaagt de zorg dit me later zal opbreken. Ik doe simpelweg niet genoeg mijn best om de lijnen met vrienden open te houden, simpelweg omdat de stilte veiliger voelt dan de kwetsbaarheid van een werkelijke connectie.


Naast de sociale terughoudendheid ervaar ik een opvallende vlakheid in mijn gevoelsleven, een emotionele neutraliteit die het lastig maakt om werkelijk diepe pieken van blijdschap of dalen van verdriet te bereiken. Misschien nog complexer dan deze eigen afvlakking is de manier waarop ik met de emoties van anderen omga; hoewel ik de pijn of het verdriet van de mensen om me heen vaak haarscherp registreer, ontbreekt bij mij de impuls om daar handelend naar op te treden. Het blijft bij een kille observatie, waarbij de noodzakelijke empathische reflex om iemand gerust te stellen of te troosten lijkt te stagneren in een soort innerlijk niemandsland. Ik doe simpelweg te weinig om die ander tegemoet te komen, alsof ik achter een glazen wand toekijk hoe de emotionele storm bij de ander raast, zonder zelf de intentie of de middelen te voelen om de hand uit te steken en diegene weer vaste grond onder de voeten te bieden.


Misschien wel het meest verontrustende aspect van deze emotionele gereserveerdheid is de bijna instinctieve neiging om de zwaktes en onbewaakte gevoelens van anderen niet alleen te registreren, maar ze ook strategisch in te zetten voor eigen gewin. Het is een kille, bijna roofdierachtige karaktertrek die me soms oprecht beangstigt; terwijl de ander zich kwetsbaar opstelt, ben ik in gedachten al bezig de informatie te ontleden en te herformuleren tot een instrument dat mijn eigen positie versterkt of de situatie naar mijn hand zet. Waar een ander zou reageren met troost of herkenning, kies ik voor de weg van de berekening. Het voelt dubbel en soms zelfs een beetje gemeen, omdat je aan de buitenkant heel betrokken en stil lijkt te luisteren, terwijl je vanbinnen eigenlijk heel berekenend bezig bent. Je vraagt je op zulke momenten af of je nog wel echt contact maakt met mensen, of dat je alleen maar een slim spelletje speelt om de controle te houden en jezelf te beschermen.


Om het allemaal nog uitdagender te maken, kamp ik met een aanzienlijk gebrek aan focus. Het lukt me zelden om me langer dan een moment te concentreren op de taak die werkelijk mijn aandacht vraagt, omdat mijn gedachten onherroepelijk afdwalen naar andere onderwerpen. Hoewel ik deze verstrooidheid waarschijnlijk compenseer met mijn intelligentie en het vermogen om te multitasken, heeft het me eerlijk gezegd altijd op een achterstand gezet ten opzichte van waar ik eigenlijk zou willen staan. Deze innerlijke onrust maakt dat ik in de ogen van anderen vaak afwezig lijk; tijdens directe communicatie ben ik in gedachten vaak al ergens anders, zelfs terwijl het gesprek nog gaande is. Ik heb de neiging om slechts de samenvatting uit de eerste paar zinnen te destilleren, waarna mijn brein de rest van de informatie als overbodig wegfiltert. Mensen noemen me daarom vaak dromerig, maar in werkelijkheid is het een constante navigatie door een overvloed aan prikkels. Dit gebrek aan focus merk ik ook in mijn pogingen om de taal of cultuur echt diepgaand eigen te maken. De discipline om echt door te pakken ontbreekt soms, simpelweg omdat mijn aandacht dan alweer naar het volgende project of een nieuwe observatie is verschoven.


Terwijl mijn brein overuren draait om alle indrukken te verwerken, lijkt mijn lichaam de omgekeerde weg te kiezen en zich over te geven aan een vorm van fysieke gelatenheid. Ik loop altijd voorovergebogen, met afgezakte schouders, en ik slof alsof het me allemaal niet kan schelen. Het is een lijfspreuk in beweging: de weg van de minste weerstand. Ik moet toegeven dat deze houding me simpelweg de minste energie kost, en energie is in mijn wereld een schaars goed dat ik liever bewaar voor mijn eigen gedachten dan voor een trotse borst vooruit. Terwijl ik mijn fysieke energie angstvallig probeer te sparen door met afgezakte schouders en een voorovergebogen houding door het leven te sloffen, kanaliseer ik diezelfde energie op een bijna obsessieve manier in een drang die ik inmiddels als weldoenerswaan herken.


Want is mijn aanwezigheid hier in Indonesië niet gewoon een poging om mijn eigen existentiële leegte te dempen? Ben ik hier echt om mijn familie en moeder te helpen, of ben ik bezig aan een grote egotrip om mezelf een beter gevoel te geven? Misschien is deze drang om alles nu ‘goed’ te maken wel een wanhopige strijd om alles wat ik ooit verkeerd heb gedaan recht te zetten. Misschien is deze drang om alles recht te zetten in de kern een uiting van mijn eigen navititeit en een manier om de controle over mijn leven terug te grijpen. Terwijl ik de regels dicteer en de bonnetjes met een kille precisie naloop , maskeer ik mijn onvermogen om werkelijk nabij te zijn.


Deze ongemakkelijke waarheden over macht, controle en emotionele afstand vormen de zwaarste brokken die ik met me meesleep. Dit is de inhoud van mijn rugzak. Helemaal bovenin in die rugzak zit zelfreflectie: een noodzakelijk instrument om niet te verdrinken in de complexiteit van een leven tussen twee werelden. Wellicht moet ik niet al deze diepe existentiële lagen direct in mijn datingprofiel zetten; het zou de gemiddelde match waarschijnlijk sneller afschrikken dan aantrekken.Maar jezelf de spiegel voorhouden op de manier waarop ik dat doe, is essentieel om patronen te doorbreken. Zonder belerend te willen klinken: ik denk dat deze mate van rauwe eerlijkheid precies is wat er vaak ontbreekt bij veel andere geadopteerde Indonesiërs. De vraag is immers: kijk je echt in de spiegel, of maak je slechts een selfie van jezelf met een filter eroverheen?


Mijn ongefilterde mening is dat wanneer geadopteerde Indonesiërs samenkomen, de gedeelde basis vooral uit gedeeld trauma bestaat. We vinden elkaar in de pijn, maar diezelfde pijn fungeert ook als een kracht die ons weer uit elkaar drijft. Het risico is dat de ontmoeting niet meer gaat over wie we zijn, maar over hoe beschadigd we zijn, waardoor de adoptie-identiteit synoniem wordt met een statisch slachtofferschap.


Uiteraard is het Indonesië dat ons bindt; het is de gedeelde oorsprong die ervoor zorgde dat we elkaar ooit hebben gevonden. Maar bij nader inzien is dat een tamelijk oppervlakkige basis voor een werkelijk raakvlak. Want om heel eerlijk te zijn menigeen ontleent zijn of haar culturele identiteit nog te vaak aan het beeld dat de Nederlander van Indonesië heeft gecreëerd. Het is die hardnekkige koloniale blik, inclusief de bijbehorende superioriteitsgevoelens over de Indonesische mentaliteit, die onbewust onze perceptie kleurt. Het zij ook hardnekkige ideeën die we overnemen van Indische en Molukse Nederlanders. We koesteren vaak de illusie dat we als geadopteerde Indonesiërs een natuurlijke band met hen hebben, maar het fundamentele verschil is dat wij in een onafhankelijk Indonesië zijn geboren en zij niet. Dat zijn werkelijk twee verschillende werelden. Waarbij hun wereld vaak een angstaanjagende achterdocht kweekt richting de moslimmeerderheid in het moederland. Het is een vorm van projectie die vaak doordrenkt is van racisme en een diepgevoeld dédain; men zet zich liever verongelijkt af tegen de ‘ander’ dan de eigen wortels werkelijk in de ogen te kijken. Dit resulteert in een beeldvorming negatief en polariserend werkt, terwijl we juist die filters zouden moeten afzetten om te begrijpen wie we werkelijk zijn, los van de Nederlandse beeldvorming.


Mijn gedachten dwalen een beetje af, want in essentie is het niet Indonesië wat ons bindt, maar zijn het vooral onze adoptietrauma’s. Of beter gezegd: het is de manier waarop deze ervaringen ons hebben gevormd en hoe we dagelijks proberen te overleven in een omgeving waarin we ons nooit helemaal thuis hebben gevoeld. Hoewel de gesprekken met veel lotgenoten door de jaren heen ontzettend waardevol waren, heb ik die ervaringen vooral geprobeerd te gebruiken als brandstof voor zelfverbetering en groei.


Er komt echter een punt waarop het nodig is om afscheid te nemen van bepaalde mensen; namelijk wanneer zij te veel in hun slachtofferschap blijven hangen, terwijl bij mij de drang om verder te gaan juist de overhand krijgt. Het blijven beschuldigen van mijn adoptiegrond of het eisen van genoegdoening helpt geenszins bij mijn persoonlijke missie om de wereld een betere plek te maken.


De tijd dat alles alleen om mij draaide, is verstreken. Ik voel me daarom ongemakkelijk bij veel adoptielotgenoten die ik al langer ken en die nog steeds in dezelfde situatie verkeren. Zij keren telkens terug naar hun adoptieverleden om elk nieuw probleem, vaak veroorzaakt door hun eigen keuzes, daaraan te relateren. Ik heb er wel begrip voor. De een heeft het nu eenmaal zwaarder gehad dan de ander. Maar ik mag mezelf dat excuus niet meer geven. Ik heb zelf veertig jaar de kans gehad om mijn eigen code te herschrijven en weiger vast te blijven zitten in een patroon van slachtofferschap.
Datzelfde ongemak ervaar ik bij lotgenoten bij wie de adoptie problematiek nu pas de kop opsteekt. Vaak wordt dit getriggerd door een midlifecrisis of doordat hun eens zo welvarende en stabiele leven plotseling tot stilstand is gekomen door een ingrijpende gebeurtenis, zoals een scheiding of een overlijden van een dierbare. Wat mij hierbij het meeste opvalt, is dat deze mensen in de kern vaak diep individualistisch zijn. Ze hanteren een overlevingstactiek waarbij ze, nu ze er eindelijk zelf mee geconfronteerd worden, hun eigen lijden volledig centraal stellen. Dit terwijl vele anderen geadopteerden al vanaf hun jeugd worstelen met hun problemen. Omdat hun eigen wereld nu wankelt, moet de oplossing voor hen ineens zo snel mogelijk geforceerd worden. Ik heb moeite om met die mensen in gesprek te gaan.


Nog erger vind ik de categorie mensen die van hun eigen adoptie, en daarmee van het leed van anderen, een verdienmodel hebben gemaakt. Ik zie soms coachingsessies en spirituele retraites naar Bali voorbijgekomen, waarbij ik dan maar vurig mag hopen dat ze dit als weldoener gratis aanbieden, geheel in de onbaatzuchtige geest van Jezus zeg maar. Het stuit me tegen de borst dat een diep trauma wordt verpakt als een commercieel ‘product’ of een lifestyle-ervaring. In plaats van mensen werkelijk te helpen de regie over hun eigen leven terug te pakken, lijkt het er soms meer op dat de kwetsbaarheid van lotgenoten wordt geëxploiteerd voor een lucratief spiritueel uitstapje. Voor mij voelt dit als de ultieme paradox: je verkoopt ‘heling’ in het land waar je zelf ooit vandaan bent weggehaald, maar je doet het tegen een westers uurtarief.


Ik zelf zou een boek kunnen schrijven over alle geadopteerde Indonesiërs die ik ben tegengekomen. Sterker nog, ik heb ooit eens contact gehad met een producent van SCTV een grote Indonesische televisie zendier, die typische Indonesische soapopera’s produceert. We zouden moeiteloos drieëntwintig afleveringen vullen over adoptie leed, en ik weet zeker dat het een hit zou zijn in Indonesië. Indonesiërs zijn namelijk oprecht begaan met het lot van geadopteerden; het is een thema dat hen raakt en dichtbij hen staat. Iedereen kent wel een schrijnend verhaal over bittere armoede, een buitenechtelijke affaire, of een moeder die haar kind een moment uit het oog verloor en ontdekte dat het was ontvoerd, de situaties waaruit onze adoptie is voortgekomen. Daarnaast zijn ze gek op drama. De werkelijkheid is soms zo bizar dat ik de verhalen niet eens hoef aan te dikken om ze script-waardig te maken.

Lotgenoten die ik heb ontmoet, zijn in mijn ogen bijna karikaturen: mensen die verslaafd lijken aan aandacht en conflict, die als een spons onnodig drama in zich opzuigen en dat weer uitstorten over hun omgeving. Ik hoef letterlijk niets te verzinnen. Het Indonesische publiek smult van dit soort verhalen; je kunt hier de hele dag vullen met het kijken naar aangedikt leed, compleet met eindeloze close-ups van, laten we eerlijk zijn, niet altijd even getalenteerde acteurs.


In mijn eigen aflevering heb ik veertig jaar de kans gehad om mijn eigen code te herschrijven en weiger langer vast te zitten in een patroon van zelfmedelijden. Hoewel we het erover eens kunnen zijn dat interlandelijke adoptie vanuit Indonesië naar Nederland een systeemfout was die beter niet had kunnen gebeuren, is die erkenning voor mij slechts het vertrekpunt. Je kunt je adoptiegrond de schuld blijven geven of om genoegdoening vragen, maar het helpt mij geenszins in de missie om mijn eigen leven te verbeteren. De tijd dat alles alleen om mij en mijn trauma draaide, is voor mij niet meer relevant. Wel de verantwoordelijkheid om de regie over te nemen. Ik voel me ongemakkelijk bij lotgenoten die elke nieuwe fout in hun leven blijven relateren aan hun adoptie; voor mij is zelfreflectie geen anker in het verleden, maar een instrument om niet te verdrinken in de complexiteit van nu. En Ik ben misschien nu ook niet helemaal lekker bezig door een emotionele connectie te forceren op een manier die zich niet laat programmeren, maar ik doe dat tenminste met een ongefilterde blik in de spiegel. Mijn rugzak reist altijd met me mee, gevuld met vervreemding en littekens, maar ik weiger er een ‘selfie’ met een filter overheen te plakken of mijn pijn te verkopen als een spiritueel verdienmodel. Ik loop misschien voorovergebogen en sloffend door Jakarta, maar ik loop wel mijn eigen pad. Ik heb geaccepteerd dat mijn her-synchronisatie misschien op dertig procent blijft steken, en juist in die eerlijkheid vind ik de vrijheid om niet langer een slachtoffer van het systeem te zijn, maar de architect van mijn eigen, imperfecte toekomst.