Helaas zit het niet altijd mee. Terwijl ik hier in het halfdonker van een nachtvlucht boven de Indische Oceaan hang, kreeg ik een paar maand geleden het bericht dat mijn werkgever in Singapore haar belangrijkste klant kwijt is. Met één klap stond mijn hele team op straat. Het nieuws kwam zo kort voor het aflopen van mijn contract dat ik nauwelijks tijd had om na te denken, laat staan om halsoverkop een nieuwe baan te vinden. En dus zat er niets anders op dan terug te keren naar Nederland, om daar opnieuw te beginnen, mijn toekomstplannen bij te stellen en te kijken hoe nu verder. De uren in de lucht geven me onverwacht de ruimte om terug te blikken op mijn avontuur tot nu toe: welke doelstellingen heb ik werkelijk bereikt, welke dromen zijn blijven liggen, en wat betekent dit alles voor het ondersteunen van mijn familie in Indonesië? Zoals altijd blijkt een overgangsmoment ook een spiegel te zijn.

Aan het begin van dit avontuur schreef ik uitgebreid over mijn doelstellingen, zorgvuldig geformuleerd, netjes geordend, bijna alsof ik een projectplan voor mezelf opstelde. Een trouwe lezer merkte toen terecht op dat die opsomming wat stroef las, meer lijst dan leven. En gelijk had hij. Want achter elke doelstelling ging natuurlijk een verhaal schuil, een gevoel, een worsteling of juist een onverwachte overwinning. Daarom wil ik, na toch kort stil te hebben gestaan bij de hoofdlijnen van die doelen, vooral ingaan op wat mijn verblijf in Indonesië werkelijk heeft losgemaakt. Niet alleen bij mij, maar ook bij mijn moeder en mijn familie. Wat heeft mijn aanwezigheid daar in beweging gebracht? Wat heeft het hen gegeven, of misschien wel overhoopgehaald? En vooral: wat heb ik in deze periode bereikt in de relatie met mijn moeder en mijn zus, twee vrouwen die mijn leven bepaalden nog voordat ik me daar zelf van bewust was? Het is tijd om niet alleen naar het lijstje te kijken, maar naar de emotionele voetafdruk die dit avontuur achterliet.
Aan het begin van dit avontuur schreef ik uitgebreid over mijn doelstellingen, zorgvuldig geformuleerd, netjes geordend, bijna alsof ik een projectplan voor mezelf opstelde. Een trouwe lezer merkte toen terecht op dat die opsomming wat stroef las, meer lijst dan leven. En gelijk had hij. Want achter elke doelstelling ging natuurlijk een verhaal schuil, een gevoel, een worsteling of juist een onverwachte overwinning. Daarom wil ik, na toch kort stil te hebben gestaan bij de hoofdlijnen van die doelen, vooral ingaan op wat mijn verblijf in Indonesië werkelijk heeft losgemaakt. Niet alleen bij mij, maar ook bij mijn moeder en mijn familie. Wat heeft mijn aanwezigheid daar in beweging gebracht? Wat heeft het hen gegeven, of misschien wel overhoopgehaald? En vooral: wat heb ik in deze periode bereikt in de relatie met mijn moeder en mijn zus, twee vrouwen die mijn leven bepaalden nog voordat ik me daar zelf van bewust was? Het is tijd om niet alleen naar het lijstje te kijken, maar naar de emotionele voetafdruk die dit avontuur achterliet.
Toch een stiekem een kleine opsomming over wat ik wel bereikt heb: Zo heb ik mijn moeder kunnen voorzien van een goed woonhuis, ik heb haar geprobeerd te helpen met een duurzaam inkomen door haar kleine winkeltje te financieren. Mijn moeder is schulden vrij en ook de schulden van mijn zus zijn afbetaald. Mijn moeder kan naar Indonesische begrippen baden in relatieve luxe. Haar nieuwe huis is volledig gemeubileerd, heeft stromend water (zij het niet warm), de grootste televisie van de stad, nieuwe koelkast, nieuwe wasmachine en noem zo maar op. Maar ondanks dat bleef er bij mij toch een twijfel knagen of ze werkelijk op mij zaten te wachten.
Dat komt omdat het me, hoe graag ik het ook wilde, niet gelukt is om dieper emotioneel contact met mijn Indonesische moeder te krijgen, niet door onwil, maar door omstandigheden waar geen van ons echt grip op had. Dat ligt niet alleen aan haar; een groot deel ligt ook bij mij. Ik ben nooit iemand geweest die makkelijk bij zijn emoties kan. Sterker nog, ik ben ooit in therapie beland met het doel om basisemoties, blijheid, bedroefdheid, angst überhaupt weer aan te leren. Er is in mijn leven genoeg gebeurd om een soort natuurlijke buffer te ontwikkelen: een afweermechanisme dat de scherpe randjes van gevoelens afvlakt voordat ik ze goed en wel doorheb. Het ironische is dat ik ondertussen wel kan janken bij een Instagram-story waarin iemand een verweesd wasbeertje grootbrengt. Mijn emotionele radar werkt dus, maar kennelijk alleen bij dieren en als ik een potje fifa verlies van een kleuter.
Nog een hand in eigen boezem: ik ben gemakzuchtig geweest. Hier in Indonesië had ik me de taal veel beter eigen moeten maken. Dat is geen verwijt aan de omstandigheden, maar aan mezelf. Mijn werk slokte me volledig op; ik sprak per dag zóveel Engels dat ik ’s nachts in het Engels begon te dromen. Maar eerlijk is eerlijk: ik had ná werkuren vaker naar buiten moeten gaan, de straat op, de kampung in en gesprekken aanknopen, fouten maken, opnieuw proberen. Want doordat mijn Indonesisch zo beperkt bleef, kon ik me maar half verstaanbaar maken tegenover mijn familie, en tegenover mijn moeder bijna helemaal niet. Dat vind ik oprecht jammer. Je kunt niet verwachten dat iemand je op emotioneel vlak echt binnentrekt als je niet eens vloeiend kunt zeggen hoe je dag was.
De situatie met mijn moeder kan ik het beste zo illustreren: Mijn zus had me voor het blok gezet en mijn moeder naaar Jakarta laten komen. Ik had dat bezoek al die tijd afgehouden, omdat ik bijna zeker wist dat het ongemakkelijk en stressvol zou worden. Ik zag het al voor me: een kamer gevuld met stilte, de zwaarte van onuitgesproken verwachtingen, twee mensen die niet goed weten hoe ze zich tot elkaar moeten verhouden. En precies zo werd het. Daar zat mijn moeder dan, op de bank in mijn appartement. Stil. De bank was een bank, mijn moeder was mijn moeder, en allebei maakten ze ongeveer evenveel geluid. Ik zat ernaast en deed mijn best om het gesprek op gang te trekken, maar haar antwoorden waren kort, beleefd en verdwenen meteen weer in de lucht. Niet vijandig, niet koud , eerder een soort zachte verwondering, alsof ze niet goed wist wat de bedoeling was van dit soort samenzijn. Hoe gedraag je je in een appartement dat groter is dan de wereld waarin je bent opgegroeid?
Ik was op dit soort situaties voorbereid. Mijn moeder is verlegen, stil, beschadigd, en zegt bijn niets. Ze laat bijna niets van haar innerlijke wereld zien, iets wat ik herken, misschien wel te goed. Ik heb het dus niet van een vreemde. In het afgelopen jaar had ik soms het gevoel dat er kleine doorbraken waren: een blik die iets zachter was, een opmerking die nét iets opener klonk, een moment waarop ik dacht dat we een stapje dichter bij elkaar kwamen. Maar achteraf moet ik ruiterlijk toegeven dat die momenten vooral weerspiegelden hoeveel ik wílde dat er een stijgende lijn was. In werkelijkheid was die lijn er niet. Het was geen curve omhoog, maar een reeks kleine schommelingen die op lange termijn eigenlijk terugkeerden naar hetzelfde nulpunt.

Soms is de werkelijkheid gewoon wat ze is. Niet tragisch, niet groots, maar simpelweg het gevolg van omstandigheden die niet te veranderen zijn. De ruimte om het maximale eruit te halen ontbrak, net als de tijd om alles goed te laten landen. Het leven in Indonesië was een voortdurende stroom van nieuwe indrukken, verplichtingen, cultuurverschillen en praktische uitdagingen, waardoor diepere emotionele connecties misschien nooit de kans hebben gekregen om wortel te schieten. En hoe graag ik het ook anders had gezien, sommige processen laten zich niet afdwingen. Soms is acceptatie geen nederlaag, maar simpelweg het erkennen dat je het hebt moeten doen met wat er wél was. Of ik mijn moeder daar iets van kan verwijten? Dat vraag ik mezelf regelmatig af. Want in mijn hoofd stel ik me voor dat ík anders zou reageren als mijn langverloren zoon na veertig jaar ineens voor mijn neus zou staan. Ik denk dat ik hem zou vastpakken, overstelpen met vragen, misschien wel nachtenlang met hem praten om geen seconde meer te verliezen. Maar ik ben mijn moeder niet. Ik ben niet opgegroeid in haar werkelijkheid, en ik heb de pijn die haar gevormd heeft nooit gedragen.
Wat voor mij voelt als een gemiste kans, kan voor haar juist overweldigend zijn geweest. Zij heeft een leven geleefd waarin verlies en stilte de vaste metgezellen waren, en waarin emoties eerder gevaarlijk dan bevrijdend konden zijn. Het is makkelijk om vanaf mijn kant te denken dat het anders had gekund, maar ik kan niet van haar verlangen dat ze zich gedraagt zoals ík dat in haar plaats misschien zou doen. Daarom probeer ik mild te blijven. Misschien zelfs dankbaar dat ze, ondanks alles, op haar eigen manier toch heeft geprobeerd ruimte te maken voor mij, al was die ruimte klein, breekbaar en vaak onuitgesproken. Soms moet je erkennen dat liefde niet altijd verschijnt in de vorm die je verwacht, maar in de vorm die iemand nog aankan. Er zijn gelukkig ook dingen die ik een succes kan noemen:
Mijn bekering tot de Islam ging niet gepaard met vuurwerk, visioenen of een dramatisch innerlijk ontwaken. Er kwam geen donder uit de hemel en geen plotseling inzicht dat alles op zijn plek liet vallen. Het ging juist zo vanzelfsprekend, zo rustig, dat ik pas achteraf doorhad hoe bijzonder dat eigenlijk was. Het voelde alsof ik simpelweg een deur opende die al die tijd al in mijn huis had gezeten, zonder dat ik de moeite had genomen om hem eerder eens te openen. Ik hoor hier thuis hoor. In Indonesië merkte ik hoe diep religie verweven is met het dagelijkse leven. Niet als iets zwaars of dwingends, of om je te begrenzen, maar om je te dragen. Ik was niet op zoek naar een geloof, maar ik was wel op zoek naar een manier om dichter bij mijn Indonesische familie te komen. Bij hun leefwereld, hun cultuur, hun ritme. En toen ik me begon te verdiepen in de Islam, echt verdiepen, niet alleen observeren — merkte ik dat er een vreemd soort vertrouwdheid in zat. Alsof ik iets herkende dat ik nooit eerder bewust had gezien. Het moment dat ik de syahada uitsprak voelde tegelijkertijd klein en groot. Klein in zijn eenvoud , twee zinnen, uitgesproken in een stille kamer met een paar getuigen. En toch groot, omdat het voelde alsof ik mijn plek innam in een wereld waar ik altijd half buiten had gestaan. Het was geen sprong in het diepe, maar eerder een rustige stap naar voren. Er was geen angst, geen twijfel. Alleen een soort veiligheid, alsof ik in iets terechtkwam wat nooit oordeel vroeg, maar alleen intentie.
Ik heb het gevoel gehad at voor mijn familie was mijn bekering vooral een signaal van respect. Respect voor hun wereld, hun cultuur, hun geloof, hun manier van leven. Ik merkte dat vooral bij mijn nicht, die al die tijd het meest open met mij kon praten. Haar toon werd zachter, alsof ik niet langer alleen een buitenstaander was, maar iemand die ook een klein beetje hun dagelijkse werkelijkheid probeerde te begrijpen. In een cultuur waar geloof en identiteit zo verweven zijn, was dat een enorme stap.
Of het me is gelukt om afstand te creëren tot het Nederlandse leven door mijn contact met andere expats te beperken? Ik denk dat ik daarin een redelijke balans heb gevonden. Ik wilde niet wegzakken in een Nederlandse bubbel in Jakarta, maar eerlijk is eerlijk: soms mis je die typisch Nederlandse directheid, dat gortdroge, soms zwartgallige gevoel voor humor, en het plezier waarmee we elkaar een hak zetten. Dat soort interactie bestaat hier bijna niet; Indonesiërs hebben hun ‘Tidak Enak’ , het culturele concept waarbij ze om conflicten heen manouveren als ware verkeersregelaars van hun eigen emoties om ongemakkelijke situaties te voorkomen. Het is een emotie + een sociale reflex in één.
Eens in de twee weken speelde ik een potje voetbal met een groep Nederlandse expats om mezelf eraan te herinneren dat ik ook een deel van die wereld ben dat deel dat roept om de bal, elkaar uitscheldt met een glimlach en drie seconden later alweer een biertje aanbiedt. Het contrast tussen de mensen in Jakarta en mijn eigen familie in Rangkasbitung kon bijna niet groter zijn. In de grote stad ontmoette ik mensen die midden in de vaart der volkeren stonden: studenten, jonge professionals, creatievelingen, mensen die vooruit wilden en zich lieten meevoeren door het ritme van een snelgroeiende metropool. Dat gaf me lucht. Het maakte mijn leven minder klein, minder omsloten door de dynamiek van mijn familie, en meer verbonden met het bruisende, soms chaotische, maar altijd levende Jakarta. En voordat ik me eenzaam zou gaan voelen, want dat ligt altijd op de loer als je tussen twee werelden in hangt, begon ik met daten. Dat heeft me niet alleen afleiding gegeven, maar ook nieuwe inzichten in hoe Indonesiërs omgaan met relaties, communicatie en verwachtingen. Daarover heb ik een apart blog geschreven, voor wie de sappige details wil lezen.

Door nieuwe mensen te ontmoeten bijvoorbeeld met daten en het vele contact met met Indonesiërs in koffietentjes, op straat, op de motor achter een Gojek‑rijder, tijdens gesprekken of die eindeloze kleine interacties waar Jakarta vol mee zit, heb ik mij emotioneel en mentaal staande kunnen houden. Indonesië laat je bijna nooit alleen; zelfs de stilte is hier gevuld met leven. En juist dat constante menselijke contact heeft me beschermd tegen het gevoel weg te zakken in mijn eigen gedachten of te verdrinken in de verantwoordelijkheden richting mijn familie.
Het hielp ook enorm dat ik mee kon doen aan de Ramadan. Het vasten gaf me een mentale rust die ik op dat moment hard nodig had. Het ritme van de Ramadan dwong me tot verstilling en hield mijn gedachten scherp. En die helderheid had ik nodig om het onderscheid te blijven maken tussen mijn eigen verantwoordelijkheid en de verwachtingen van mijn familie.
Tijdens mijn verblijf heb ik gemerkt hoe vaak de grenzen van geven werden opgezocht. Soms subtiel, soms openlijk. Maar ondanks die druk vind ik dat ik die grenzen behoorlijk goed heb bewaakt. Niet perfect, want niemand blijft in Indonesië honderd procent strak bij z’n eigen regels, maar wel bewust. Ik gaf waar ik kon en stopte waar ik moest, juist om mentaal overeind te blijven in een situatie die gemakkelijk alle kanten op kon kantelen. En misschien is dát wel wat me het meest heeft gered: niet alleen het vele contact met Indonesiërs, maar ook het ritme van een geloofstraditie die me stabiliteit gaf in een omgeving waar mijn eigen gedachten soms net zo chaotisch konden zijn als het verkeer op Jalan Sudirman.
In Indonesië heb ik een deel van mezelf teruggevonden waarvan ik niet eens wist dat het verloren was. Niet in grote, dramatische inzichten, maar in de kleine dingen: het ritme van de oproep tot gebed, het geduld van mensen in een eindeloze file, het vanzelfsprekende samen eten, de manier waarop hier gelachen wordt om dingen waar een Nederlander vooral zijn wenkbrauwen bij optrekt. Door me onder te dompelen in de taal, de gewoontes, de sociale subtiliteit van tidak enak en de rust van de Ramadan, merkte ik dat mijn identiteit niet langer alleen door Nederland werd bepaald, maar ook door iets diepers, iets dat altijd in mij had gelegen. Ik herkende mezelf in hun bescheidenheid, in hun manier van omgaan met pijn, in de neiging emoties liever te voelen dan te benoemen. Indonesië gaf me geen nieuw zelf, maar hielp me langzaam het oude, vergeten deel tevoorschijn te halen een versie van mij die ik al die jaren onbewust had meegedragen.
Ben ik teleurgesteld in wat ik tot nu toe heb bereikt? Soms wel. Op willekeurige momenten, vaak wanneer ik naar mijn bankrekening kijk en zie hoeveel geld er door de maanden heen is verdwenen, kan dat gevoel de overhand krijgen. Het zijn allemaal bewuste giften geweest, maar toch moet ik mezelf er regelmatig aan herinneren dat ik het geld niet beter had kunnen investeren of sparen. Zo werkt het niet. Ik heb gegeven vanuit intentie, niet vanuit rendement.
De bijdragen aan mijn moeder, mijn zus en de rest van de familie waren fors, maar niet onoverkomelijk. De kosten van mijn leven in Indonesië vielen mee. De grootste klap zat in twee verhuizingen: één naar Indonesië en de onverwachte vlucht terug naar Nederland. Misschien doet het soms meer pijn dat veel van die giften nooit echt een duidelijke uiting van dankbaarheid hebben gekregen. Maar eerlijk gezegd was dankbaarheid niet eens het belangrijkste. Wat ik wérkelijk hoopte, was dat mijn inzet, al die middelen, al die energie — mijn moeder en mijn zus zou inspireren om zelf meer uit hun leven te halen. Dat ergens bij hen een lichtje zou aangaan. En dat is gewoon niet gebeurd. Dat blijft slikken.

Of ik ooit nog een echte band krijg met mijn moeder? Zelfs als mijn Bahasa Indonesia perfect zou zijn, durf ik dat niet te zeggen. Onze communicatie zit niet alleen in taal gevangen, maar in tientallen jaren van afstand die je niet in één jaar kan overbruggen. Mijn wens om een band op te bouwen is er wel, maar ik moet erkennen dat ik inmiddels iets anders heb gevonden wat bijna net zo belangrijk is: een band met het land waar ik vandaan kom. Meer dan een jaar in Indonesië heeft me veel meer geleerd dan ik had durven hopen.
Wat heb ik het meest geleerd? Dat Indonesië het land is van onbegrensde mogelijkheden, maar dat je ze alleen ziet als je risico’s durft te nemen.
Wie echt iets wil, kan ver komen. Maar wie stil blijft zitten, raakt automatisch afhankelijk van anderen, en daar verandert niemand je voor. Ik heb gezien hoe vindingrijk Indonesiërs zijn, hoe creatief ze elke dag oplossingen bedenken voor problemen die elders systemen zouden doen vastlopen. Alles is een workaround; niets is structureel. En ondanks die chaos werkt het ergens toch.
Ik heb geleerd dat Indonesische vrouwen de ruggengraat van het land zijn. Ze dragen letterlijk de economie; ze werken twee keer zo hard om gezien te worden. Ik heb geleerd dat zelfs de meest stoere mannen: soldaten, boeren, bouwvakkers, hard-rockers altijd iets schattigs hebben, een luchtigheid die elke interactie verzacht. Ik heb geleerd hoe groot de kloof is tussen de mentaliteit van Jakarta en die van een plek als Rangkasbitung: de stad vecht, het dorp berust.
Wil ik terug? Absoluut. Mijn verhaal is niet af. Ik voelde me in Indonesië simpelweg gelukkiger. Misschien omdat alles nieuw voelde. Misschien omdat de vriendelijke mentaliteit van de mensen beter bij mij past dan ik ooit heb geweten omdat ik als geboren Indonesier dat ook gewoon ben. Misschien omdat ik iets wil bijdragen aan een samenleving waar armoede en ongelijkheid op zoveel grotere schaal bestaan dan in Nederland, en waar elke kleine inspanning meer impact heeft dan je denkt.
Wat het ook is: ik voel me sterk verbonden met Indonesië. En ondanks alle teleurstellingen, fouten en lessen die ik onderweg geleerd heb, is er één ding waar ik zeker van ben: ik ben nog lang niet klaar met Indonesië.

