In het weekend neem ik zelden de tijd om iets anders te doen dan achterstallig werk weg te tikken of me bezig te houden met de eindeloze lijst klusjes rond de renovatie van mijn moeders huis in Rangkasbitung. Maar één keer besloot ik de routine te doorbreken en in te gaan op de uitnodiging van mijn nichtje Dewi. Ze wilde me meenemen naar de school waar ze lesgaf. Niet zomaar een school, maar een plek die bijna mythisch aanvoelt: een dorp aan de rand van het Baduy-gebied. Het is de laatste halte van wat wij ‘beschaving’ noemen, en het begin van een wereld die zich niets aantrekt van onze haast, onze telefoons of onze drang om alles te organiseren. Een gebied waar je voelt dat je niet alleen een andere plek binnenstapt, maar ook een andere manier van leven.
Rangkasbitung is het laatste knooppunt van asfalt, minibussen en warungs voordat de reis het ruwe, groene binnenland van West-Java in slingert, richting het mysterieuze Baduy-gebied. Rangkasbitung is niet alleen de hoofdstad van het regentschap Lebak, maar ook het toneel van een van de meest bijzondere tradities van West-Java. Elk jaar dalen de Baduy te voet af uit hun afgelegen dorpen om deel te nemen aan Seba Baduy, een kleurrijke ceremonie waarin zij hun oogst en handgemaakte producten aanbieden aan de lokale overheid. Het is geen belasting in de westerse zin van het woord, maar een rituele vorm van respect: een symbolische overdracht van dankbaarheid aan de regent van Lebak en de gouverneur van Banten. Tijdens deze dagen vult Rangkasbitung zich met honderden Baduy die, na een tocht van tientallen kilometers, in hun zwarte kleding de stad even veranderen in een ontmoetingsplaats tussen twee werelden.
Trots
Mijn familie is zichtbaar trots op die connectie. Elke keer als ik in Rangkasbitung ben, vragen ze me opnieuw of ik er al geweest ben, écht geweest. Alsof je pas volledig meetelt als je die grens tussen onze wereld en die van de Baduy zelf hebt overgestoken. Maar ik was cynisch. Ik ben nu eenmaal iemand die warmloopt voor de grote lijnen van de geschiedenis, niet voor de kleine antropologische voetnoten. In mijn hoofd verbleekt de culturele betekenis van de Baduy al snel naast de macht en mystiek van de tempels rond Yogyakarta. En welke plek nemen ze eigenlijk in binnen het verhaal van Indonesië, vergeleken met de opkomst en ondergang van bijvoorbeeld de communistische partij?
Het is appels met peren vergelijken, dat weet ik heus, maar mijn hart kiest instinctief voor het epische. Denk: een IMAX-bioscoop met dreunende subwoofers versus een filmhuis waar je met een handvol mensen naar een minimalistisch drama zit te kijken.Toch kon ik op een gegeven moment de uitnodiging van Dewi niet meer afslaan. Misschien uit beleefdheid, misschien uit schuldgevoel, maar vooral omdat ik merkte dat ik snakte naar een adempauze. De verbouwing van het huis, de eindeloze kostenposten, het geregel met familie, het gedoe.
Waar de reis niet mooier is dan de bestemming
De reis van Rangkasbitung naar het Baduy-gebied is verrassend eenvoudig. Je kunt het op twee manieren aanpakken. Voor wie gemak wil: er zijn speciale Baduy-tours vanuit Jakarta, vaak georganiseerd door lokale reisbureaus. Zij regelen vervoer, gidsen en toegang tot de dorpen, en je hoeft zelf nergens over na te denken. Maar je kunt het ook prima zelfstandig doen, en eerlijk gezegd is dat vaak veel leuker. Vanuit Jakarta pak je de forensentrein vanaf station Tanah Abang richting Rangkasbitung. Op het station van Rangkasbitung stap je over op een angkot die je naar de rand van de stad brengt. Daar wachten de kleurrijke minibusjes: voertuigen met hoge assen, speciaal gebouwd voor ritten door het hobbelige, soms modderige terrein richting het Baduy-gebied. Ze zijn gemaakt voor wegen waar Google Maps geen zin in heeft, hobbelig, modderig en soms meer krater dan weg. In zo’n busje word je in een klein uur naar Ciboleger geslingerd, het officiële toegangspunt tot het Baduy-gebied. Overigens onze eindbestemming is een paar haltes verder: de kampung Nayagati. Daar komen we aan precies op het moment dat het begint te schemeren. Veel te laat om nog richting het Baduy-gebied te vertrekken, en eerlijk gezegd stond dat ook niet op onze planning. Ik blijf hier 1 nacht, genoeg tijd om ook het dorp en zijn ritmes een beetje te leren kennen. We wonen een Khataman bij. Wanneer een groep kinderen een bepaald niveau van de Koranstudie afsluit, wordt dit groots gevierd. Op een kleind verhoogd podium reciteren de kinderen wat ze geleerd hebben voor trotse ouders en familie. De een wat meer enthousiast dan de ander. Het super schattig gezicht.
Aan het einde krijgen de kinderen een kleine beloning: een zakje snacks, iets te drinken, of een symbolisch geldbedrag dat meer aanmoediging is dan betaling. Voor een buitenstaander oogt het misschien puur religieus, maar als je er middenin zit, zie je iets anders gebeuren. Mensen reciteren zachtjes mee, de energie wordt warm en gedragen, en het geheel krijgt een bijna tastbare spiritualiteit die je niet kunt faken.
Het doet me denken aan hoe ik in Nederland met religie werd geintroduceerd, toen mijn ouders me, tevergeefs en misschien wel tegen beter weten in, meesleepten naar de kerk om te bidden. Maar dit voelt anders. Deze mensen staan er middenin. Misschien deels uit verplichting en traditie, maar vooral omdat het hier echt leeft. En terwijl ik daar zat te luisteren naar die aandoenlijke kinderstemmen, besefte ik dat ik zo’n gevoel van gedragenheid misschien wel gemist heb toen ik opgroeide. Dit is zoveel malen beter dan een avond Netflix.
Naar de Baduy
Het is niet de meest ideale periode om als toerist het Baduy-gebied in te trekken. Het is regenseizoen, en de paden veranderen in glibberige modderstroken. Vroeg in de ochtend we nemen bovendien niet het toeristenpad, maar het pad dat de Baduy zelf gebruiken, zeg maar de dienstingang. Smal, steil, nauwelijks een pad te noemen, maar voor hen is het de grote ringweg van het gebied. Want terwijl wij voorzichtig onze stappen zetten, worden we voortdurend ingehaald. Oude mannen, kinderen op sandalen of gewoon blootvoets, vrouwen met baby’s op de heup allemaal even lichtvoetig, lopen ze ons moeiteloos voorbij. Sommigen dragen complete zakken rijst, anderen manden vol spullen, en een paar vrouwen zijn gekleed in traditionele Baduy-kleding die prachtig afsteekt tegen het natte groen van het bos. Iedereen groet vriendelijk.
Waarom zijn de Baduy nu zo bijzonder? De Baduy vormen een van de meest unieke inheemse gemeenschappen van Indonesië: een Sundanese groep weggetrokken in het oerwoud die er bewust voor kiest om zonder moderne technologie, elektriciteit of voertuigen te leven om zo hun eeuwenoude tradities te beschermen. Hun levenswijze is geworteld in Sunda Wiwitan, een animistische en vooroudergerichte religie waarin de natuur bezield is en de geesten van de voorouders voortdurend meekijken. Alles van het verbouwen van rijst tot het betreden van een bos, gebeurt met respect voor deze onzichtbare orde.
De gemeenschap bestaat uit twee hoofdgroepen: Baduy Dalam, de strikt traditionele kern die volledig geïsoleerd leeft en vrijwel geen buitenstaanders toelaat, en Baduy Luar, de meer toegankelijke groep die beperkte interactie met de buitenwereld heeft. Samen vormen ze een kleine gemeenschap van ongeveer 11.620 mensen, verspreid over 65 dorpen in het heuvelgebied van Lebak. Juist hun vasthoudendheid aan eenvoud, ritme en natuur maakt hen zo uitzonderlijk in een land dat razendsnel moderniseert, een levende herinnering dat vooruitgang niet altijd betekent dat je vooruit moet rennen. Dat doet Dewi wel want ze wil me in een zo kort mogelijke periode langs een bijzondere route leiden. Een route dwars door het bos langs prachtige handgemaakte bruggen. De fundamenten bestaan uit boomwortels die door de jaren heen zijn gevlochten, geleid en gedwongen om precies de juiste vorm aan te nemen: natuur, tijd en vakmanschap. Het zijn geen grote bruggen, eerder organische oversteekplaatsen die eruitzien alsof ze uit het bos zelf zijn gegroeid. Sommige wortels zijn zo dik als een arm, andere kronkelen als touwen over elkaar heen. Je voelt bijna de eeuwenoude logica van de Baduy. het is een organisme dat meegroeit met het bos, precies zoals hun hele levenswijze meebeweegt met de aarde in plaats van haar te forceren.
In het Sunda Wiwitan denken is de aarde een levend wezen dat je respecteert, niet iets dat je naar je hand zet. Die wortelbruggen laten dat haarscherp zien: geen omgeploegde grond, geen gekapte bomen, geen chemische middelen om iets sneller of makkelijker te maken. Alles is gebaseerd op geduld, ritme en samenwerking met de natuur. De Baduy bouwen niet om te domineren, maar om te verbinden, letterlijk en spiritueel.
Dewi loopt er met een vanzelfsprekendheid overheen die ik nog niet bezit. Voor haar is dit gewoon de route. Voor mij begint het te voelen als een ware spirituele tocht, laat zien hoe diep de relatie tussen mens en natuur hier werkelijk gaat. Hier en daar is het zo glibberig en onbegaanbaar dat zelfs Dewi even moet pauzeren om de beste aanvliegroute te bepalen. Teruggaan is voor haar geen optie; ze kijkt alleen vooruit, alsof het pad zich vanzelf zal schikken zodra ze besluit door te lopen. Ik heb dat vertrouwen duidelijk nog niet. Op een bepaald moment glijd ik weg en kan ik me nog net vastklampen aan een stel wortels en struiken voordat ik een paar meter lager in de modder was geëindigd. Een heus Indiana Jones-moment, al vermoed ik dat het er in werkelijkheid vooral uitzag als iemand die wanhopig een struik omhelst.
We dalen verder af tot aan de rivierbedding, waar een paar grote rotsen uitnodigend op ons wachten. Daar ploffen we neer om even op adem te komen. Terwijl ik naar Dewi kijk, vraag ik me af hoe goed ik haar eigenlijk ken. Ze is een juffrouw, en zo gedraagt ze zich ook: streng, resoluut, een tikje dominant. Minder warm dan haar zus Puput, al vermoed ik dat dat meer schijn dan werkelijkheid is. Misschien is dit gewoon haar manier om overeind te blijven in een leven dat niet bepaald zachtzinnig is geweest. Haar man overleed een paar jaar geleden. Ik heb hem nog gekend, we speelden avondenlang pétanque op het alun‑alun van Rangkasbitung in 2019. Het was zo’n lieve man. Ik vraag ik me af hoe zij dat verlies heeft gedragen, hoe het haar heeft gevormd. Ik zou het willen vragen, echt willen begrijpen wat er in haar omgaat. Maar mijn huis‑, tuin‑ en keuken‑Indonesisch schiet tekort, en haar Engels lijkt ook minder vloeiend dan vroeger. Dus blijft het bij stilte, bij gedeelde vermoeidheid op een rots boven een rivier. Deze schitterende plek moet haar zeker hebben geholpen in haar rouwproces.
Hier, in het leefgebied van de Baduy, waar stilte onderdeel van het dagelijks ritme. De rust van het bos, het trage ademhalen van de heuvels, het kabbelende water dat nooit haast heeft het zijn precies de elementen die ruimte maken om te voelen, te verwerken, te bezinnen. In een omgeving waar de natuur niet wordt overstemd maar gevolgd, kun je bijna niet anders dan tot jezelf komen.
Een man steekt de wortelbrug boven ons over en blijft even staan. Hij kijkt naar ons, glimlacht, en vraagt op die typisch Indonesische manier: “Di mana?” Een woord dat letterlijk “waarheen?” betekent, maar in werkelijkheid veel meer doet. Het is een begroeting, een kleine sociale scan, een vorm van zorgzaamheid die je vooral in dorpen tegenkomt. Niet alleen waar gaan jullie heen, maar ook gaat het goed daar op dat glibberige pad. Jalan‑jalan, antwoorden we gewoon een beetje wandelen. En hij knikt, alsof dat precies het juiste antwoord is op precies de juiste plek.
Deze man hoeft zelf niet ergens dringend heen. Geen e‑mails die op hem wachten, geen dure iPhone die hem waarschuwt voor een Zara‑sale, geen zoektocht naar een goedkope verzekering voor een auto die hij eigenlijk alleen kon kopen dankzij de overwaarde van zijn huis. Voor de Baduy is bezit geen maatstaf voor succes, maar juist een mogelijke bron van spirituele vervuiling. In hun wereldbeeld vormt elke “extra”, technologie, luxe, overtollige spullen, een laag ruis tussen de mens en zijn innerlijke rust. Hier is eenvoud geen gemis, maar een keuze die ruimte maakt voor helderheid. Geluk zit niet in het toevoegen van bezittingen, maar in het verwijderen van afleidingen. Door te leven met alleen het essentiële, ontstaat er ruimte voor spirituele helderheid.
We blijven in het voetspoor van de man en komen uit bij zijn dorp, dat tegen een heuvelrug lijkt te leunen, omringd door dicht bos en rijstvelden die als terrassen langs de helling liggen. De huizen staan in compacte rijen langs een centraal aarden pad, gebouwd op verhoogde bamboe funderingen die regenwater en modder moeiteloos trotseren. De daken zijn van palmvezel of riet, donker en mat, waardoor de woningen bijna samensmelten met het landschap. In eerste instantie hield ik de sprookjesachtige hutjes die langs de rand van het dorp staan, de kleine, verhoogde opslagplaatsen waar de Baduy hun rijst bewaren, voor woonhuizen.
Ik betrap mezelf erop dat ik voor één keer een échte spirituele toerist ben. Bij elke houten paal, elk bruggetje, elk willekeurig stuk bamboe dat maar enigszins fotogeniek oogt, voel ik de onbedwingbare drang om mijn telefoon te pakken, alsof ik via de lens iets diepers, iets “hogers” zou moeten voelen. Alsof dit Baduy‑dorp spontaan in rook zou opgaan als ik het niet onmiddellijk documenteer. Dewi loopt stoïcijns door, volledig immuun voor mijn innerlijke Instagram‑paniek. Wanneer we het dorp binnenstappen, komt er een meisje naar buiten. Ze kent Dewi, dat zie je meteen. Ze pakt even haar hand, stelt een paar korte vragen in het Sundanees en kijkt daarna nieuwsgierig naar mij, de bezwete buitenstaander die nog steeds met zijn telefoon in de aanslag staat alsof hij op safari is. En precies op dat moment dringt het tot me door: dit is geen Bali. Geen gelikte toeristenlachjes, geen zorgvuldig ingestudeerde authenticiteit. Hier geen dorp dat zichzelf presenteert als decorstuk voor reizigers die op zoek zijn naar “echtheid” met een smoothie in de hand. Hier kijkt niemand op of om van mijn aanwezigheid. Het meisje is vriendelijk, maar niet opgewonden. De volwassenen knikken kort, Het dorp probeert geen indruk te maken het bestaat gewoon. En ik sta erbij en voel hoe mijn drang om alles vast te leggen langzaam afneemt. Misschien omdat niemand hier bezig is met hoe het eruitziet op foto’s. Misschien omdat de mensen hier niet performen voor bezoekers. Of misschien omdat ik besef dat spiritualiteit niet in mijn camera zit, maar in de manier waarop deze gemeenschap leeft: stil, eenvoudig, zonder ruis.
Na een kort rondje door het dorp is het tijd om weer terug te keren naar wat men de bewoonde wereld noemt. Terug richting asfalt, scooters en signaalsterkte. Op de grens van het Baduy‑gebied stuiten we op een bijna voltooide houten moskee. Prachtig gebouwd, met dezelfde ingetogen esthetiek als de huizen in het dorp dat er achter ligt. Het voelt bijna symbolisch: een markering, een zachte maar duidelijke overgang. Alsof men wil zeggen: hier eindigt onze wereld, daar begint de jouwe weer. Dat is bijzonder, in Banten waar de islam vaak streng nageleefd regels, rituelen, verwachtingen, terwijl de Baduy juist vasthouden aan Sunda Wiwitan, hun animistische en vooroudergerichte geloof. Twee systemen die op papier botsen, maar in de praktijk verrassend harmonieus naast elkaar bestaan.
Het geheim? Ik denk dat het omdat het allemaal Soendanezen zijn. En Soendanezen hebben een talent voor het weven van tegenstellingen tot iets dat werkt. De ene groep leeft volgens eeuwenoude taboes, de andere volgens religieuze voorschriften, maar beiden delen dezelfde culturele wortels: respect, zachtheid, harmonie, en vooral het vermogen om elkaar ruimte te geven.
Daar, bij die houten moskee op de grens van twee werelden, besef ik hoe bijzonder dat eigenlijk is. Terwijl wij in de stad discussiëren over identiteit, authenticiteit en wie gelijk heeft, lossen zij het op door simpelweg naast elkaar te bestaan.
BaDoei!
Het is tijd om terug te keren naar Jakarta. Met een warm gevoel neem ik afscheid van Dewi. Ze glimlacht, zegt dat ze snel bij me langs zal komen in Jakarta. De weg terug naar Rangkasbitung lijkt ineens twee keer zo lang. We slingeren door kleine dorpen, langs ravijnen waar je rechtstreeks de diepte in kunt kijken, met nevel en mist die als zachte sluiers over het landschap hangen, het soort schoonheid dat je alleen krijgt na regenval. De bus bromt onverstoorbaar door, alsof hij deze route al duizend keer heeft gereden. Op een gegeven moment moeten we zelfs dwars door een bruiloft heen. Letterlijk. De weg is geblokkeerd door stoelen, een geïmproviseerd podium en een groep feestende mensen. Maar in plaats van irritatie ontstaat er een vrolijke chaos: gasten lachen, zwaaien, schuiven stoelen opzij, tillen de bloemstukken weg zodat de bus erdoor kan. We stappen uit om te helpen Het voelt bijna alsof we onderdeel worden van het feest, al is het maar voor een minuut.
Onderweg stopt de bus voortdurend om mensen op te pikken die het weekend bij hun gezin op het platteland hebben doorgebracht en nu weer terugkeren naar hun kos in Jakarta, klaar voor een loodzware werkweek. In totaal ben ik 5 uur onderweg van Dewi’s verblijfplaats naar mijn eigen appartement in Jakarta. In die tijd heb ik heel veel tijd gehad om na te denken.
In tegenstelling tot hoe ik “spirituele mensen” in Nederland vaak tegenkom, je weet wel, de types die hun chakra’s pas voelen stromen na drie cappuccino’s met havermelk en een weekendretreat in een yurt in Drenthe, heb ik hier iets heel anders geleerd. Geen kristallen die opgeladen moeten worden bij volle maan, geen cacao‑ceremonies van 95 euro per persoon, geen influencers die in linnen broeken uitleggen dat je pas écht geaard bent als je hun online cursus van twaalf modules volgt.
Bij de Baduy, is spiritualiteit verrassend aards. Letterlijk. Spiritualiteit is niet zweverig; het is hoe je de grond onder je voeten behandelt. Hoe je een pad bewandelt zonder het te beschadigen. Hoe je rijst verbouwt zonder de aarde te dwingen. Hoe je leeft zonder meer te nemen dan je nodig hebt. Geen theatrale poses, geen spirituele merchandise, geen hashtags als #blessed of #highvibesonly, gewoon een leven dat klopt.
Een eenvoudig bestaan herstelt de heilige verbinding tussen mens en natuur, waardoor je je weer onderdeel voelt van een groter geheel. Niet omdat je het manifesteert, maar omdat je het leeft. Hier ontdek je dat rust niet komt van wierook of workshops, maar van het weglaten van alles wat ruis maakt. Terwijl wij in Nederland druk bezig zijn met “ontprikkelen” door nóg een app te downloaden, creëren de Baduy stilte door niets toe te voegen. En eerlijk gezegd: dat werkt een stuk beter dan een klankschaal op een yogamat in een tochtige gymzaal in Amsterdam Noord.
Wat een krachtig contrast: de serene eenvoud van de Baduy tegenover de complexe realiteit van een veeleisende baan en familiale zorgtaken. Juist op dat snijvlak , waar de druk van buitenaf botst met mijn innerlijke behoefte aan rust komt de levenswijze van de Baduy als een soort kompas.
De grens van wat je kunt dragen
De Baduy geloven in het niet forceren van de natuur: wat kort is mag niet verlengd worden, wat lang is mag niet ingekort worden. Het klinkt bijna poëtisch, maar het is vooral een praktische levenshouding. Dingen hebben hun eigen vorm, hun eigen ritme, hun eigen grens, en het is niet aan ons om die koste wat kost te manipuleren.
In mijn eigen leven zie ik hoe vaak ik precies het tegenovergestelde doe. Ik rek de “lengte” van mijn dag op alsof tijd elastiek is. Ik duw mijn energie voorbij het punt van gezond verstand, omdat ik denk dat ik zowel mijn werk als mijn familie moet dienen, altijd, overal, zonder pauze. Alsof ik een soort menselijke multitool ben die nooit mag weigeren.
Maar hier, tussen de Baduy, ben ik gaan nadenken over de spirituele les van het accepteren van beperking. De Baduy verzetten geen bergen; ze lopen eromheen. Ze begrijpen dat de natuur, inclusief de menselijke natuur, breekt wanneer je haar dwingt in een vorm die niet van haar is.
En misschien geldt dat ook voor mij. Ik hoef niet overal de oplossing voor te zijn. Ik hoef niet elke spanning glad te strijken, niet elke afstand te overbruggen. Sommige situaties , zoals de spanning met min mijn familie, de afstand die door de jaren heen is ontstaan, hebben een natuurlijke vorm die ik niet kan “ombuigen” zonder mezelf te beschadigen.
En hetzelfde geldt voor helpen. Ik kan niet iedereen redden zonder mezelf in gevaar te brengen. Ik heb te vaak gedacht: “Ach, dit ene bedrag kan ik wel missen,” of “Ze hebben het harder nodig dan ik.” Totdat ik merkte dat ik zelf begon te wankelen, dat mijn eigen financiële bodem dunner werd, dat ik keuzes maakte vanuit schuldgevoel in plaats van draagkracht. De Baduy zouden zeggen: wat je niet kunt dragen, moet je niet optillen. Niet omdat je egoïstisch bent, maar omdat je anders samen met de last omvalt.
Misschien is dat de echte les: grenzen zijn geen muren, maar vormen. En sommige vormen zijn niet bedoeld om opgerekt te worden, niet in relaties, niet in verwachtingen, en zeker niet in wat je kunt geven zonder jezelf kwijt te raken.

