Wat betekent ‘helpen’ eigenlijk?

Over kaders, verwachtingen en cultuurverschillen

Toen ik besloot om mijn moeder en familie in Indonesië te helpen, dacht ik dat ik dat wel even met wat geld kon doen. Een paar honderd euro per maand, een beetje goede wil, en dan zou het vanzelf wel goedkomen. Maar al snel ontdekte ik: helpen is geen kwestie van geld overmaken. Het is een kwestie van begrijpen en dat is misschien wel het moeilijkste wat er is.

Hulp zonder richting is als water naar de zee dragen

In het begin stuurde ik geld zonder al te veel voorwaarden. Ik dacht: nu mijn familie eindelijk wat financiële ruimte had, zouden ze er vast verstandig mee omgaan. Maar het geld verdween sneller dan ik kon bijhouden, en wanneer ik vroeg waar het precies naartoe was gegaan, bleef het vaak stil , of ik kreeg een ontwijkend antwoord. Dan klonk het bijvoorbeeld: “Ja… het was gewoon ineens op. Je weet hoe het gaat hier, alles is duur tegenwoordig. Maar maak je geen zorgen hoor, we hebben het goed besteed.” Of: “Je begrijpt het niet… het was een noodgeval. Heel ingewikkeld. Ik leg het later wel uit.” Soms was het iets als: “Ik had pulsa nodig om je te bellen om te vragen of ik pulsa mocht kopen. Maar toen was het al op.” En mijn persoonlijke favoriet: “De dochter van de oude buurvrouw was bevallen. We moesten iets geven, dat hoort zo.”

Ik begon me af te vragen: ben ik nou aan het helpen, of ben ik gewoon bezig met symptoombestrijding?

Daarom stelde ik doelstellingen op. Niet omdat ik mijn familie als een project zie, maar omdat ik mezelf wilde beschermen tegen mijn eigen neiging tot grenzeloze vrijgevigheid. Zonder kaders wordt hulp een bodemloze put. Een druppel op een gloeiende plaat. Je moet ergens beginnen.

Cultuurverschillen: de onzichtbare muur

Wat ik onderschatte, was hoe diep cultuurverschillen kunnen snijden. In Nederland zijn we gewend aan plannen, afspraken, transparantie. In Indonesië is het leven veel meer gericht op het moment. Op gemeenschap. Op geven wat je hebt, ook als je het zelf niet kunt missen. Mijn moeder wil niet praten over plannen of doelen. Ze wil gewoon een beetje geld, vandaag, nu. Voor snacks en voor beltegoed. En ergens begrijp ik dat. Maar ik zie ook dat het haar niet verder helpt. Dat het haar afhankelijk houdt. En dan is er nog iets: ik ben haar zoon, maar ook een buitenstaander. Een Nederlander. Een vreemdeling met geld. Dat maakt het moeilijk om op gelijke voet te praten. Laat staan om samen plannen te maken.

Verwachtingen: van wie zijn ze eigenlijk?

Ik merk dat ik veel verwacht. Dat mijn moeder initiatief neemt. Dat mijn zus verantwoordelijkheid toont. Dat ze begrijpen wat ik bedoel met ‘duurzame hulp’. Dat ze niet alleen wachten tot ik iets voorstel, maar zelf ook nadenken over oplossingen. Maar misschien zijn dat mijn verwachtingen. Mijn normen. Mijn tempo. Ik ben opgegroeid in een wereld waarin plannen maken, vooruitdenken en verantwoording afleggen vanzelfsprekend zijn. Hier werkt het anders. Tijd is rekbaar, afspraken zijn suggesties, en hulp is iets wat je geeft zonder voorwaarden. Wat voor mij logisch voelt, kan voor hen als afstandelijk of zelfs controlerend overkomen. Misschien moet ik niet alleen mijn verwachtingen bijstellen, maar ook leren luisteren naar wat zij onder ‘hulp’ verstaan.

En toch… als ik niets verwacht, gebeurt er ook niets. Dus stel ik grenzen. Niet om hard te zijn, maar om richting te geven. Ik geef geen contant geld meer , niet omdat ik mijn moeder of zus niet vertrouw, maar omdat ik heb geleerd dat geld zonder structuur vaak verdwijnt in de mist van het moment. Daarom werk ik met een betrouwbare nicht die de administratie bijhoudt, bonnetjes fotografeert en maandelijks een overzicht stuurt. Zij is mijn brug tussen intentie en uitvoering.
Daarnaast stel ik duidelijke doelen: een leefbaar huis, een draaiende warung, schuldenvrij zijn. Niet omdat ik controle wil, maar omdat ik wil dat mijn hulp écht helpt. Dat het verschil maakt. Dat het iets opbouwt in plaats van alleen maar gaten vult. Zonder die doelen zou ik blijven dweilen met de kraan open.

Hulp is geen eenrichtingsverkeer

Wat ik hoop, is dat mijn familie mij op een dag niet meer ziet als een lopende geldautomaat, maar als zoon, broer, een meens. Iemand met wie je kunt praten. Iemand die ook vragen heeft. Iemand die niet alleen komt brengen, maar ook wil delen. Verhalen en herinneringen. Daarom probeer ik het gesprek aan te gaan. Niet met grote woorden of ingewikkelde plannen, maar met simpele vragen. Wat dacht je vanochtend toen je opstond? Waar heb je om gelachen vandaag? Wie heb je gesproken? Wat hield je bezig? Ik heb mijn moeder een lijstje met die vragen gegeven.

Kleine stapjes naar wederzijds begrip. Een poging om de stilte te doorbreken, om iets van een brug te bouwen tussen hun wereld en de mijne. Tot nu toe is het lastig. De lijst met vragen is kwijt. De antwoorden blijven uit. Soms lijkt het alsof mijn behoefte aan contact niet wordt herkend, of misschien zelfs niet wordt begrepen. Maar ik geef niet op. Want ik geloof dat echte hulp begint bij verbinding, niet alleen financieel, maar emotioneel. Pas als we elkaar echt zien, kan er iets veranderen. Misschien langzaam, misschien schoksgewijs, maar altijd vanuit menselijkheid.

En jij?

Misschien herken je dit. Misschien heb jij ook geprobeerd om iemand te helpen, een familielid, een vriend en liep je tegen muren aan. Misschien heb je ook getwijfeld: doe ik dit voor hen, of voor mezelf? Ik nodig je uit om mee te denken. Over wat ‘helpen’ eigenlijk betekent. Over hoe we kunnen geven zonder te verliezen. Over hoe we kunnen verbinden zonder te forceren.

Als je wilt bijdragen aan mijn missie , financieel, met ideeën, of gewoon door mee te lezen, dan ben je van harte welkom.