Magelang ligt verscholen in een kom van vruchtbare as; een vallei die door onze Indonesische voorouders niet voor niets werd uitgekozen om de prachtige Borobudurtempel te bouwen. Ik beschouw deze plek als een heiligdom, misschien wel de meest magische plek op het eiland. De stad wordt omringd door vier machtige vulkanen: de rokende Merapi en de Merbabu aan de oostkant, en de ’tweeling’ Sumbing en Sindoro die de westelijke horizon domineren. Hier lijkt de spirituele energie nog direct aanwezig, wat een scherp contrast vormt met de betonnen jungle van mijn huidige woonplaats Jakarta. Dit is het echte hart van Java.
Mocht je de tijd hebben, dan levert een tocht door de omgeving van Magelang schitterende beelden op. Zo is er het ‘Nepal van Java’: Dusun Butuh in Kaliangkrik. Dit bergdorp ligt tegen de helling van de Sumbing aangeplakt en wordt vanwege de terrassen en kleurrijke huizen vaak met Nepal vergeleken. Ook de Air Kedung Kayang is een bezoek waard; een spectaculaire waterval met een indrukwekkend uitzicht op de Merapi.
Avonturiers kunnen hun hart ophalen tijdens het raften over de rivieren Elo en Progo. Maar misschien wel het leukst om te proberen is een bezoek aan een agritoeristische locatie. Daar kun je met je voeten in de modder zelf aardbeien plukken of alles leren over het verbouwen van rijst. Voor geadopteerde Indonesische lezers is dit een bijzondere ervaring: letterlijk terug naar de wortels en de diepe aarde. Misschien waren je voorouders ook wel landarbeiders.
Magelang bezit ook een diepe historische waarde. Het is de plek waar Prins Diponegoro, een verzetsheld van een statuur vergelijkbaar met Willem van Oranje, op lafhartige wijze werd verraden door de Nederlanders. Op 28 maart 1830 arriveerde de prins bij de residentie in Magelang voor wat hij dacht dat vreedzame onderhandelingen waren om de bloedige Java-oorlog te beëindigen. Het was een moment van uiterste kwetsbaarheid: het einde van de ramadan. Maar in plaats van een diplomatiek gesprek wachtte hem een valstrik. Generaal De Kock liet hem bij aankomst direct gevangennemen, waarna Diponegoro werd verbannen en nooit meer naar zijn geliefde Java zou terugkeren. Dit verraad markeerde niet alleen het einde van de oorlog, maar sloeg ook een diepe wond in de Javaanse ziel.
Daarnaast herbergt Magelang de uitgestrekte terreinen van de Akademi Militer (Akmil), de prestigieuze militaire academie waar menig Indonesische generaal zijn opleiding heeft genoten. Je kunt deze plek zonder meer vergelijken met West Point in de Verenigde Staten; het is de kraamkamer van de macht in Indonesië. De aanwezigheid van de kazernes geeft de stad een serieus karakter, een ijzeren orde die scherp afsteekt tegen de organische chaos van de kampungs die eromheen liggen. Het is de plek waar de blauwdruk voor het leiderschap van het land wordt getekend. Twee presidenten hebben hier een groot deel van hun vorming genoten: Susilo Bambang Yudhoyono en de huidige president, Prabowo Subianto.
En als we het dan toch over presidenten hebben: in de regio rondom Magelang bevinden zich naar verhouding veel pesantren. Dit zijn islamitische kostscholen waar jongeren wonen en leren, en hun religieuze vorming krijgen onder leiding van een kyai (religieus leider). Op een van deze kostscholen heeft ook een andere president, Abdurrahman Wahid beter bekend als Gus Dur, zijn religieuze fundament gelegd.
In Indonesië zien we twee grote stromingen die het islamitische landschap vormgeven. Aan de ene kant staat de Nahdlatul Ulama (NU), die vaak als traditionalistisch wordt omschreven. Zij blijven trouw aan de klassieke islamstudie en het gezag van de kyai, maar onderscheiden zich juist door een sociaal tolerante en cultureel verzoenende houding. Daartegenover staat de Muhammadiyah, een modernistische beweging die hervormingsgericht en rationeel te werk gaat, met een modern onderwijssysteem en een kritische blik op lokale tradities.
De pesantren rond Magelang zijn voornamelijk verbonden aan de NU. Deze scholen zijn echter veel meer dan alleen onderwijsinstellingen; ze zijn de bewakers van de sociale moraal en vormen een cruciale schakel tussen de traditionele Javaanse wortels en de moderne Indonesische staat. Zonder de invloed van deze pesantren uit de regio Magelang zou het religieuze en politieke landschap van Centraal-Java er totaal anders uitzien.
Tot zover wat er in Magelang te ontdekken valt. De meeste buitenlandse toeristen zullen de stad zelf echter nauwelijks bereiken; zij komen voor het onbetwiste kroonjuweel van Indonesië: de Borobudur. Hoewel de tempel officieel in de regio Magelang ligt, reizen de meesten er vanuit Yogyakarta naartoe. En laten ze Magelang voor wat het is.
Wanneer ik voor de Borobudur sta, zie ik meer dan alleen een tempel uit de achtste eeuw; ik zie een symbool van een beschavingsniveau dat al lang en breed op Java aanwezig was, nog voordat de eerste Nederlander er voet aan wal zette. Het is voor mij een krachtige herinnering dat de geschiedenis van mijn geboortegrond niet begon bij de koloniale bezetting. Dat besef vormt het fundament van mijn bewustzijn. Als geadopteerde Indonesiër die terugkijkt naar zijn wortels, ervaar ik dit als de ultieme plek waar spirituele diepgang en culturele trots samenvloeien, een erfenis die zich voor mij moeiteloos kan meten met welke andere wereldcultuur dan ook.
Ik adviseer iedereen om een ticket te kopen en de zonsopkomst vanaf de Borobudur te ervaren. Voor mij was dit de ultieme spirituele ervaring; een moment waarop de tijd even ophield te bestaan en ik de verbinding met mijn letterlijk in de lucht voelde hangen.
agelang heeft iets weg van een sprookje, maar dan tegen de achtergrond van een aangrijpende werkelijkheid. Te midden van de vulkanische reuzen en eeuwenoude architectuur was dit in 1980 de geboorteplaats van mijn broer, die net als ik is geadopteerd. De reden voor zijn adoptie was nagenoeg dezelfde als bij mij: ook hij werd afgestaan vanwege een buitenechtelijke relatie en belandde in een weeshuis. Maar waar mijn adoptie al voor mijn geboorte was geregeld, was dat bij hem niet het geval. Het resulteerde in een zware start; hij verbleef anderhalf jaar in het weeshuis. Die eerste achttien maanden opgroeien zonder de directe liefde en aandacht van ouders doet iets met je; het is bepalend voor hoe je de rest van je leven in de wereld staat, vaak getekend door angst en onzekerheid.
Het wrange aan zijn verhaal is dat hij bovendien twee keer is gedoopt. De eerste keer omdat er sprake van was dat hij door een protestants gezin zou worden geadopteerd, en de tweede keer voor de katholieke kerk toen hij bij mijn ouders terechtkwam. Dat zijn biologische ouders beiden moslim zijn, maakt het extra beladen. Tegen de achtergrond van het spirituele Java voelt dit bijna als het tarten van het lot; alsof er twee keer op een spirituele resetknop is gedrukt.
Net als ik groeide mijn broer op met veel liefde van onze Nederlandse ouders. Met zijn weelderige krullenbol en typisch Indonesische uiterlijk was hij een geliefde verschijning. De mooiste herinnering aan onze jeugd is hoe hij overal in klom, van bomen tot lantaarnpalen. Toch was het ook voelbaar dat we genetisch geen echte broers waren; we verschilden als dag en nacht. Zijn energieke, expressieve en soms explosieve karakter stond recht tegenover mijn bedachtzame en ingetogen aard. Hij vond het niet erg om op te vallen, terwijl ik dat doodeng vond. Ik zal niet ontkennen dat er nooit een grote klik tussen ons was; we waren simpelweg te verschillend om een diepe emotionele band op te bouwen. Dat lag overigens niet aan hem. Ik deed indertijd zelf enorm mijn best om met niemand een echte emotionele verbinding aan te gaan.
Toch zijn er prachtige momenten in ons leven die we samen konden delen. Zo maakten we in 1995 met ons hele gezin een rootsreis naar Indonesië. Het absolute hoogtepunt van die reis was de ontmoeting met zijn biologische familie in Magelang. De setting deed denken aan een aflevering van Spoorloos, maar dan zonder de aangedikte dramatiek voor de kijkcijfers. Het had niet mooier gekund: Desa Banyu Urip, een kleine kampung aan de rand van Magelang, gelegen aan een kabbelend riviertje. We liepen over een ongeasfalteerde weg waar landarbeiders met manden op hun hoofd terugkeerden van de sawa, met de Merbabu als een schilderachtig decor op de achtergrond.
Het hele dorp liep uit toen er een minibusje stopte en die grote, witte mensen uitstapten. De hereniging bij het eenvoudige familiehuisje was warm en oprecht, zonder overdreven sentiment. Het allermooiste was misschien wel de houding van zijn biologische moeder; hoewel zij en de vader van mijn broer nooit echt samen waren geweest, was ze zo sportief geweest om hem ook voor de ontmoeting uit te nodigen. Pas later in het gesprek drong het tot ons door wie hij was, toen we vroegen wie die nerveuze man was die de hele tijd naast mijn broer zat.
Naast zijn biologische vader ontmoetten we ook zijn oudere halfbroer, die ook de naam Ganjar draagt. Voor de duidelijkheid: de Nederlandse broer is Ganjar Sutrisno en de Indonesische broer is Ganjar Surachman. Hun namen weerspiegelen de klassieke Javaanse traditie van parallelle naamgeving. De gedeelde voornaam Ganjar (wat ‘beloning’ of ‘geschenk’ betekent) fungeert als een onverwoestbare spirituele band tussen broers en zussen. In deze cultuur bestaat er geen vaste achternaam; in plaats daarvan krijgt ieder kind een unieke tweede naam om hun karakter te duiden. Zo staat Surachman voor moedig en Sutrisno voor liefdevol. Zonder twijfel de bekendste naamgenoot van dit moment is Ganjar Pranowo, de voormalig gouverneur van Midden-Java en een van de belangrijkste presidentskandidaten van 2024. Verder maakten we kennis met diverse opa’s en oma’s, waaronder een opa met een tweelingbroer. Het leverde prachtige beelden op. Na een halve dag namen we afscheid, niet vermoedend dat dit de laatste keer zou zijn dat mijn broer zijn biologische moeder in leven zou.
Een paar jaar later bezocht een nicht uit Nederland zijn moeder tijdens haar vakantie. Weer zo’n bus met witte toeristen; er waren waarschijnlijk niet zoveel Belanda’s in Magelang geweest sinds het KNIL er zijn zuiveringsacties uitvoerde tijdens de politionele acties. De toeristen troffen de moeder in gezonde conditie aan. Helaas verwaterde het contact nadien. Dat gaat makkelijk als je er zelf niet al te veel aandacht aan besteedt, of als het simpelweg niet past in de fase waarin je leven verkeert. Je gaat uit, krijgt een vriendinnetje en proeft van het leven. Bovendien leefden we in een tijd waarin de mobiele telefoon nog een zeldzaamheid was; alles ging nog moeizaam met handgeschreven brieven.
Jaren later, tijdens een van mijn eerste soloreizen naar Indonesië tussen 2002 en 2004, besloot ik de familie van mijn broer opnieuw te bezoeken. Dat was een heel avontuur. Ik reisde vanuit Jakarta met de auto naar Magelang, een tocht van zeker twaalf uur over levensgevaarlijke wegen, samen met een vriendin en haar entourage. Ik herinner me nog goed dat we diep in de nacht bij het ouderlijk huis aankwamen.
Daar kregen we het dramatische nieuws dat zijn moeder was overleden. Het was een hartverscheurend verhaal: ze had leukemie gekregen en de familie kon de medische behandelingen op een gegeven moment niet meer betalen. Het adres om mijn broer in Nederland te bereiken was in de loop der jaren zoekgeraakt. Als het hun was gelukt om contact op te nemen, had de financiële steun vanuit Nederland misschien haar redding kunnen betekenen.
Het is een gedachte die blijft knagen: kunnen we onszelf verwijten dat we het contact hebben laten verwateren, waardoor de familie daar volledig uit het zicht verdween? De bittere realiteit was dat zij de kosten voor de zorg simpelweg niet meer konden dragen. Ze overleed met een laatste, diepe wens: dat haar zoon ooit haar graf zou bezoeken, samen met zijn broer.
Die laatste wens van zijn moeder is in mijn hoofd blijven leven. Sindsdien probeer ik mijn broer zover te krijgen om samen naar Indonesië te reizen, maar dat is moeilijk. In de tijd dat ik zelf nog op zoek was naar mijn eigen biologische familie, keek ik weleens met afgunst naar hem. Hij had zijn complete familie teruggevonden; hoe uniek is het om zowel je vader als je moeder te kunnen ontmoeten? Destijds begreep ik niet dat hij er eigenlijk niet veel mee kon. Inmiddels zie ik dat anders: iedereen heeft het recht op zijn eigen redenen, zeker in onze context. Als je zelf een zwaar leven hebt en alles op alles moet zetten om je hoofd boven water te houden in de Nederlandse prestatiemaatschappij, hoeveel ruimte heb je dan nog om stil te staan bij de mensen die je ooit hebben afgestaan? Voor mijn eigen proces was zijn familie een houvast; het voelde fijn om te weten dat die mensen er waren.
Gelukkig woonde Ganjar Surachman, de halfbroer, nog wel in de buurt. Ik heb hem diezelfde nacht nog ontmoet en hij was zichtbaar geraakt dat ik hem niet was vergeten. Eigenlijk zitten beide broers in hetzelfde schuitje. Ze hebben weliswaar een andere vader, maar de vader van Surachman had hun moeder evengoed in de steek gelaten. Hij groeide op in armoede en moest voortijdig met school stoppen om te gaan werken. Toen hun moeder overleed, bleef hij lange tijd in eenzaamheid achter.
Omdat we die nacht zo laat aankwamen en het pikkedonker was, kreeg ik weinig mee van de omgeving. De volgende dag spraken we af bij het hotel. Daar heb ik hem het laatste spaargeld gegeven dat ik nog over had voor die vakantie. In zijn huiskamer hangt nog steeds een foto van mij en mijn reisgenoot uit Jakarta, een stille herinnering aan die ontmoeting.
In 2009, ongeveer zes jaar later, keerde ik terug naar Magelang, ditmaal samen met mijn toenmalige partner. We verbleven in de omgeving van Yogyakarta en waagden het erop om met enkel het oude adres op zak te gaan kijken of we de familie nog konden terugvinden. Hoewel het ouderlijk huis inmiddels voor een groot deel was omgebouwd tot een kroepoekfabriek, woonden de opa en oma van Ganjar Sutrisno nog steeds op dezelfde plek. Het waren twee prachtige, kleine Javaanse mensjes, tot miniversies gekrompen; precies zoals ik er later zelf uit zou willen zien. Samen met oma bezochten we het graf van de moeder, een sober graf, nog zonder steen.
Opa bracht ons daarna naar het huis van zijn halfbroer, die inmiddels aan een nieuwe fase in zijn leven was begonnen. Hij woonde met zijn gezin in een buurtje aan de Jalan Salatiga, ter hoogte van Pondok API in Tegalrejo. Dit is een bekende, grote pesantren waar ook president Gus Dur ooit studeerde. Het was een hartelijke ontmoeting. Samen maakten we een tocht door de pas tussen de twee grote vulkanen, waar we in een klein restaurantje lunchten en bijpraatten over de afgelopen jaren. Hij vertelde hoe hij een vrouw had ontmoet en twee prachtige dochters had gekregen, en hoe hij zijn bestaan had opgebouwd door te beginnen als bijrijder op een minibusue. Na een fijne middag, waarin we veel met handen en voeten communiceerden, ontmoetten we ook Ganjars Sutrisno’s vader bij zijn werkplaats.
Hij was automonteur. Gelukkig leefden we inmiddels in het mobiele tijdperk en konden we elkaars telefoonnummers en Facebook-gegevens uitwisselen.
Jaren later en een heel leven verder, in 2022, was ik opnieuw in Magelang. Dit keer zonder partner, maar met mijn prachtige dochter. Uiteraard kwamen we voor de Borobudur, maar we gingen ook weer bij Ganjar Surachman en zijn gezin langs. Zijn dochters waren inmiddels groot geworden. Ik ontmoette hem thuis en een dag later spraken we af voor een diner in een restaurant. Het ging hem goed. Ganjar had inmiddels carrière gemaakt en was gepromoveerd tot chauffeur op een grote Trans-Java-bus. Zo reed hij het hele eiland over, van oost naar west, en kwam hij ook regelmatig in Jakarta. Ze waren allen gezond en de dochters zaten allebei nog op school waar ze een aardig woordje Engels leerden spreken. Een hecht gezin. Minder traditioneel gekleed dan mijn familie op wet java.
Tijdens ons gesprek stelde hij de onvermijdelijke vraag: of Ganjar Sutrisno ooit nog eens naar Indonesië zou komen. Ik moest hem het eerlijke antwoord geven dat dit moeilijk lag.
In 2023 trof ik hem in Jakarta, bij de grote moskee van Pondok Indah, het gebouw is een imposante, blauwe piramide vlak naast de mall. Hij had een groep Indonesische toeristen vanuit Yogya naar Jakarta gebracht en stond op het punt om weer aan de terugreis te beginnen. Het was een aangenaam weerzien en ik beloofde hem dat ik snel weer zijn kant op zou komen. Helaas is dat er sindsdien nog niet van gekomen.
Telkens wanneer ik zijn broer ontmoet, bevindt hij zich, net als ik, in een nieuwe fase van zijn leven. In 2003 was hij nog alleen; in 2009 woonde hij met zijn vrouw en dochters in het nieuwe huis waar hij nu nog steeds woont. En elke keer dat ik hem zie, ben ik zelf ook ouder geworden en aan iets nieuws begonnen. We maken beiden een reis door het leven, maar de grote afwezige in dit verhaal is tot nu toe de echte Ganjar.
Daarom hoop ik dat we die reis ooit samen kunnen maken. Ik kan alles voor hem organiseren en hem op zijn gemak stellen. Die ervaring zal totaal anders zijn dan de laatste keer dat hij in Indonesië was met onze Nederlandse ouders. Wanneer je met witte mensen reist, reis je vaak met een gids in de veilige bubbel van een minibus. Een reis met en onder je eigen soortgenoten is een heel andere ervaring. Daarom blijf ik bij mijn sterke advies: als je geadopteerd bent uit Indonesië, doe die reis dan vooral een keer zonder je witte aanhang. Het verlaagt de drempel en levert wezenlijk andere gesprekken op.
Wat we gaan doen als hij er eindelijk is? Ik ga hem laten zien dat hij zich gelukkig mag prijzen met een broer als de zijne. Iemand die naar Indonesische begrippen een goed bestaan heeft opgebouwd. Als je heel goed kijkt, is hij een lotgenoot die níét geadopteerd is naar Nederland. Maar hij heeft zichzelf opgericht door hard te werken en vol te houden.
