Waarom Bali de slechtste plek is om Indonesië te begrijpen

De westerse toerist gebruikt Bali als een spiritueel sanatorium, waarbij eeuwenoude hindoeïstische tradities worden gereduceerd tot een esthetisch filter voor Instagram. Men denkt “Indonesië” te ervaren, terwijl men in feite in een geprivatiseerde bubbel zit die mijlenver afstaat van de dagelijkse overlevingsstrijd in de rest van Indonesië. De spiritualiteit die de westerling daar koopt, is een transactie, geen transformatie.

Het probleem met Bali is dat de westerse toerist denkt dat dit Indonesië is. Men vergaapt zich aan de zonsopkomsten op de vulkaan en de spirituele rituelen, maar men vergeet dat dit slechts de glimmende etalage is van een land dat elders uit zijn voegen barst van de ongelijkheid. De spiritualiteit die hier als ‘authentiek’ wordt verkocht, is voor de bezoeker vaak niet meer dan een selfie met een filter. We consumeren hun goden met dezelfde gemakzucht waarmee we in Jakarta een T-shirt van Bape kopen. In de westerse beleving is de Indonesiër, en de Balinees in het bijzonder, iemand die “altijd lacht en tevreden is met weinig”. Het is een gevaarlijk cliché dat armoede romantiseert. Men ziet de vrouw die met een offermandje over straat loopt en denkt: “Wat spiritueel en harmonieus”.

Ik kom vaak op Bali, simpelweg omdat het de onvermijdelijke pleisterplaats is voor vrienden en bekenden uit Europa. Zodra ze voet zetten op Indonesische bodem, is Bali de enige bestemming die in hun reisgidsen met neonletters oplicht. Vanuit Jakarta is het bovendien een overzichtelijke exercitie; van deur tot deur kost het me ongeveer vier uur. Binnenlandse vluchten zijn zelden duur, waardoor de drempel om de Javaanse chaos even te verruilen voor de Balinese gevaarlijk laag is. Op Bali (zeker in vergelijking tot Java) zijn de faciliteiten onmiskenbaar geweldig en alles wat je wenst om een luxe lui leventje te leiden is binnen handbereik.

Wanneer je de vier uur durende reis vanuit Jakarta onderneemt, betreed je een wereld waar Bali zich presenteert als een levend ‘coffee table book’ van architectonische feng-shui. De pracht van het eiland schuilt in de harmonieuze versmelting van moderniteit en traditie, waarbij het gebruik van bamboe in locaties als Green Village is verheven tot organische kunst en strakke infinity pools naadloos overgaan in de horizon van de Indische Oceaan. In de lokale coffeespots en conceptuele beachclubs wordt een verfijnd tropisch modernisme toegepast, waarbij strak minimalisme naadloos samensmelt met vintage koloniale elementen en gedetailleerd Balinees houtsnijwerk, uitgevoerd met een precisie die het oog streelt. Het is een esthetische viering van het Indonesische erfgoed, gevangen in een eigentijds jasje van handgemaakte tegels en warm lokaal hardhout.

Deze esthetische perfectie zet zich voort in de chique restaurants en bars, waar de inrichting vaak net zo indrukwekkend is als de menukaart. Je vindt er culinaire hotspots die niet zouden misstaan in Londen of New York, maar dan met de zachte, Indonesische gastvrijheid en vaak voor een verrassend gunstige prijs-kwaliteitsverhouding. Het is de plek waar je voor een fractie van de Europese prijs geniet van topgastronomie in een decor van gepolijst marmer en bruut beton en lokaal hardhout. De faciliteiten op het eiland zijn inmiddels zo volwassen dat werkelijk alles binnen handbereik is; van ergonomische werkplekken in Bukan Ruang-stijl tot luxe wellness-resorts die de zintuigen prikkelen. Het is een visuele en facilitaire triomf die laat zien hoe krachtig de Indonesische identiteit zich kan vertalen naar een wereldwijd gewaardeerde, luxueuze levensstijl.

Wanneer de schemering over het eiland valt, ontwaakt een pulserend uitgaansleven dat in zijn extravagantie nauwelijks gelijke kent. De kustlijn wordt gedomineerd door kolossale beachclubs die als moderne tempels dienen voor danceparties van wereldformaat. Hier bepalen wereldberoemde DJ’s het ritme van de nacht, ondersteund door een licht- en geluidsspectakel dat de zintuigen overprikkelt. Het aanbod aan entertainment is ronduit megalomaan; van intieme skylounges op duizelingwekkende hoogte tot uitgestrekte openluchtdancings waar je jezelf bevindt te midden van een bruisende massa, omringd door een luxe die elders in de wereld onbetaalbaar blijft, compleet met een bediening die met een haast militaire precisie de cocktails laat vloeien.

Op Bali hebben zich omvangrijke enclaves van buitenlanders gevormd, een internationale smeltkroes van Europeanen, Amerikanen en Australiërs die hier hun ideale thuishaven hebben gevonden. In de afgelopen jaren is door de oorlog deze gemeenschap verrijkt met een groeiende stroom Russen en Oekraïners; allen hebben ze de pracht van het eiland omarmd als hun nieuwe paradijs op aarde. Velen bezitten er weelderige villa’s die verscholen liggen in het groen, waarbij de grenzen tussen binnen en buiten vervagen door het gebruik van natuurlijke materialen en weidse zichtlijnen. Het bezit van zo’n residentie geldt voor velen als de ultieme bekroning op hun Aziatische avontuur. Men maakt dankbaar gebruik van de mogelijkheid om via langdurige leaseconstructies of lokale stichtingen een plek te creëren die volledig beantwoordt aan de modernste maatstaven van comfort en design. In deze enclaves komt een wereld samen waar de faciliteiten werkelijk uitmuntend zijn en waar een internationaal netwerk van gelijkgestemden geniet van de unieke gastvrijheid die Indonesië te bieden heeft. Het is een omgeving waar men met succes een leven heeft opgebouwd dat het beste van twee werelden combineert: een kosmopolitische levensstijl te midden van de serene rust en de onmiskenbare esthetiek van het tropische landschap.

In deze internationale enclaves wordt het dagelijks leven vormgegeven met een vanzelfsprekendheid die bijna benijdenswaardig is. Bali is voor deze bewoners veranderd in een ‘hub’ waar de grijze realiteit van het noordelijk halfrond is verruild voor een eeuwige zomer van kansen. Terwijl de wereld elders in beweging is, bouwen zij hier aan een parallel universum. De infrastructuur past zich naadloos aan hun behoeften aan; van gespecialiseerde medische zorg en internationale scholen tot adviseurs die de weg wijzen in het Indonesische bureaucratische doolhof. Het eiland fungeert als een veilige haven en een inspirerende werkplek, waar wereldwijde carrières worden voortgezet vanuit een setting die elders ondenkbaar is.

Tussen de ochtendlijke surf-sessies en de zakelijke calls door, vindt de interactie plaats in de hippe coffeespots en exclusieve beachclubs. Hier wordt niet alleen genetwerkt, maar ook een cultuur van esthetisch welzijn gecultiveerd. Het is een wereld waarin men zich omringt met gelijkgestemden, verenigd door de luxe van vrijheid en een gedeelde kosmopolitische blik. In deze zorgvuldig opgebouwde bubbel is alles binnen handbereik, van de meest verfijnde gastronomie tot aan holistische wellness, waardoor de noodzaak om de enclave te verlaten en de ongefilterde realiteit van het omliggende achterland op te zoeken, nagenoeg nihil is.

Naast de strakke lijnen van het moderne design is er die andere, ongrijpbare kwaliteit die Bali haar bijnaam geeft: de alomtegenwoordige spiritualiteit die als een zachte nevel over het eiland hangt. Het is een plek waar de scheidslijn tussen de fysieke en de spirituele wereld flinterdun is. Overal zie je de harmonie tussen mens en kosmos terug in de Tri Hita Karana-filosofie, die voorschrijft dat geluk alleen ontstaat wanneer de relatie met God, de medemens en de natuur in balans is. Gebouwen worden niet tegenover de jungle geplaatst, maar lijken eruit voort te vloeien. Open woonkamers laten de tropische regen en de geluiden van de rijstvelden ongefilterd binnen, waardoor de grens tussen buiten en binnen volledig vervaagt.

Er heerst een serene energie in de vroege ochtend, wanneer de geur van brandende wierook zich vermengt met de frisse geur van natte aarde. De talloze tempels, van de kleinste huisaltaren tot de majestueuze heiligdommen aan de kust, vormen een spiritueel netwerk dat het eiland verankert in een tijdloos ritme. Voor de buitenstaander voelt dit als een ultieme terugkeer naar de bron; een herontdekking van een natuurlijke orde die we in de betonnen jungle van Jakarta of de nuchtere polders van Nederland allang zijn kwijtgeraakt. Het is deze diepe, esthetische rust die Bali haar bijna magische aantrekkingskracht geeft en die de perfecte voedingsbodem vormt voor wie op zoek is naar reflectie en verstilling.

Deze eenheid met de natuur en de kosmos vormt een schitterend decor, maar voor wie de Indonesische ziel werkelijk kent, is er een schurend onderscheid tussen de spiritualiteit van de bezoeker en die van de lokale bevolking. Voor de westerse expat is spiritualiteit een luxe-artikel, een bewuste ontsnapping aan de ratrace, verpakt in een esthetisch verantwoorde retreat. Het is een keuze voor zelfontplooiing.

Maar voor de Indonesiër in het algemeen is spiritualiteit geen wellness-product, maar een vorm van existentiële discipline. Het is een spirituele overleving. In de kampung is de verbinding met het hogere geen ‘vibe’ of een mindfulness-sessie; het is een dwingende noodzaak om de fragiele balans van het dagelijks bestaan te bewaken. De ceremonies, de offers en de onophoudelijke rituelen zijn de enige instrumenten die men heeft in een land waar de overheid vaak schittert door afwezigheid en waar het lot grillig is. Men offert niet om ’tot zichzelf te komen’, maar om onheil af te wenden, om de oogst te zegenen of om simpelweg de harmonie in de gemeenschap te bewaren.

Waar de toerist in Bali de natuur opzoekt voor verstilling, leeft de gemiddelde Indonesiër ermee in een voortdurende onderhandeling. De natuur is hier niet alleen ‘mooi’, zij is de brenger van overvloed maar ook rampspoed zoals overstromingen, vulkaanuitbarstingen en misoogsten. De spiritualiteit is de lijm die de gaten in het systeem dicht. Het is misschien wel de berusting van mensen die weten dat ze geen controle hebben over hun status, en die daarom hun heil zoeken in een religieuze orde.

Wanneer ik mijn moeder op Java zie bidden, zie ik geen ‘zen-moment’. Ik zie de rauwe discipline van iemand die haar zorgen bij God neerlegt omdat ze ze zelf niet meer kan dragen. Het is een spirituele overleving die mijlenver afstaat van de geprivatiseerde verlichting in de villa-enclaves op Bali. De een zoekt een nieuwe identiteit in de wierookwolken; de ander probeert in diezelfde wolken slechts een weg te vinden om de volgende dag te halen.

In deze internationale enclaves op Bali wordt de werkelijkheid gefilterd door een lens van esthetiek en gemak, maar zodra je die bubbel verlaat, stuit je op de rauwe ruggengraat van Indonesië. Het ploeteren op rijstvelden, de oneindige gezwoeg in de fabrieken van Depok en Bekasi, het contrast tussen de expat in zijn gehuurde paradijs en het leven op Java is niet alleen een verschil in inkomen; het is een verschil in fundamentele bestaanszekerheid.

Dit contrast manifesteert zich in een schurende ongelijkheid tussen de luxe van de toekomst en de tirannie van de dag. Waar de expat op Bali zijn leven jaren zorgvuldig bouwt aan een ‘lifestyle’, leeft men op Java bij de dag; de toekomst is daar geen canvas voor dromen, maar een onzekerheid die men slechts met gelatenheid en gebed kan bezweren.

Terwijl de buitenlander de Indonesische cultuur als een menukaart gebruikt om de mooiste spirituele elementen te consumeren voor eigen verrijking, is diezelfde cultuur voor mijn familie op Java een dwingend harnas van sociale verplichtingen. De weinige roepia’s die zij verdienen, vloeien niet naar zelfontplooiing, maar naar de gemeenschap, simpelweg omdat overleven zonder de groep daar onmogelijk is.

Zelfs de befaamde Indonesische glimlach ondergaat deze transformatie: op Bali is het een vermarkt exportproduct dat de user experience compleet maakt, terwijl het op Java vaak fungeert als sociale camouflage, waarmee men pijn en armoede draagt zonder de harmonie te verstoren.

Soms, wanneer ik de verstikkende laag van geopolitiek, ongebreideld kapitalisme en de dwingende tentakels van het globalisme wegdenk, zie ik een ander Indonesië voor me. Ik geloof namelijk fundamenteel dat dit land de potentie heeft om in zijn geheel een paradijs te zijn, niet alleen die paar vierkante kilometer op Bali die we voor de buitenlandse dollar hebben ingericht. Zonder de noodzaak om te voldoen aan de grillen van de wereldmarkt en het winstbejag van verre aandeelhouders, zou Indonesië met haar ongekende natuurlijke rijkdommen volledig zelfvoorzienend kunnen zijn.

Het zou een paradijs kunnen zijn voor al haar bewoners, van de visser in de Molukken tot de rijstboer op Java, en niet slechts een speeltuin voor een geprivatiseerde elite. Een land waar de overvloed van de bodem rechtstreeks ten goede komt aan de mensen die haar bewerken, in plaats van te worden verkwanseld in de ‘airco-bubbels’ van Jakarta of de vastgoedprojecten in Uluwatu.

Mijn moeder in Rangkasbitung zou dan niet hoeven te overleven in de marge van een systeem, maar deel uitmaken van een bloeiende, autonome eenheid die haar eigen waardigheid herstelt. Het is deze droom van een werkelijk vrij en zelfvoorzienend Indonesië die mijn maatschappijkritiek voedt; het is de herinnering aan wat dit land zou kunnen zijn als we de ketenen van het moderne economische kolonialisme eindelijk durven af te werpen.

De vraag die dan overblijft, is wat mijn eigen rol is in dit complexe schaakspel tussen droom en daad. Hoe draag ik bij aan een Indonesië dat voorbij de façade kijkt?

Mijn bijdrage is tweeledig. Enerzijds is er de directe, bijna socialistische herverdeling op microschaal. Ik spaar niet voor een villa in Bali, ik investeer in de menswaardigheid van mijn eigen kampung op Rangkasbitung.

Anderzijds zie ik het als mijn taak om de rol van ‘culturele tolk’ te spelen. Ik gebruik mijn privilege en mijn stem om de spirituele consumptiedrift van de bezoeker te spiegelen aan de rauwe discipline van de Indonesiër. Door de ongemakkelijke verhalen te delen, de verhalen over sociale druk, adat en de overlevingsstrategieën van de gewone man, hoop ik de dekolonisatie van de geest te stimuleren.

Mijn bijdrage is simpel: ik wil het sprookje van de ‘altijd gelukkige Indonesiër’ doorprikken. We moeten stoppen met alleen naar die vriendelijke glimlach te kijken en eindelijk eens de enorme kracht zien die mensen nodig hebben om elke dag te overleven. Pas als we de harde realiteit van Java net zo serieus nemen als de mooie plaatjes van Bali, kunnen we bouwen aan een land dat echt een paradijs is voor iedereen, in plaats van alleen voor een kleine groep gelukkigen.

Ik ben benieuwd hoe jij naar deze twee gezichten van de archipel kijkt. Heb jij op Bali weleens dat ongemakkelijke gevoel gehad dat je in een prachtig decor stond, terwijl de echte wereld buiten de poorten bleef? Of herken je die ‘spirituele overleving’ waar ik over schrijf bij mensen die je elders in Indonesië hebt ontmoet?

Laat het me weten in de reacties. Ik hoor graag of jij ook die spagaat voelt tussen de bewondering voor de esthetiek en de rauwe werkelijkheid van het dagelijks leven hier. Laten we het gesprek aangaan over hoe we dit land kunnen zien voor wat het echt is, in plaats van wat we willen dat het voor ons betekent.